Ik kom altijd in verlegenheid als ik ergens een vreemde taal begrijp, terwijl de mensen die aan het praten zijn niet vermoeden dat iemand hen begrijpt. Je kunt niet weggaan want dat is nog erger. Je kunt ook hun stem niet een beetje zachter zetten. En je kunt ook jouw oren niet sluiten. Dus bleef ik gewoon waar ik zat en deed net zo alsof ik hen niet begreep. Met een zeer intieme stem vroeg zij de jongen of hij de dieren ziet. Ik keek ook machinaal naar buiten. Wij reden langs weilanden. Overal waren verschillende huisdieren over de weilanden verspreid: koeien, geiten, schapen. Er waren soms ook kalkoenen te zien. en zwarte koeien. Mixkleurige koeien, zwarte schapen en witte schapen graasden op groen veld. Plotseling begreep ik waardoor die ontroering in de stem van het meisje kwam. Het was zo leuk om te zien hoe koeien, geiten en schapen vreedzaam graasden. Die scène gaf je een rustgevoel. Je werd van al je angsten verlost en dacht niet meer over oorlogen, hongersnood, droogtes die ergens menselijke levens vernielden.
‘Kijk,’ zei het meisje. ‘In Rusland heb ik nooit gezien dat koeien en schapen samen grazen. Ongelofelijk.’
Toen ik die woorden hoorde, wilde ik met een grote Nederlandse nationale trotsgevoel, dat bij iedere allochtoon hoort, schreeuwen: Dat komt omdat ons land Nederland een multiculturele samenleving is! Wij hebben onze eigen tradities: samen leven, samen graz…sorry, samen delen. Hier hebben alle dieren het recht goed te eten en goed gegeten te worden. Hier zie je nooit een hond achter een kat jagen. Hier zie je nooit dakloze dieren op straat. Ons moet je nooit met je achterlijk land vergelijken! Zo dus.
Ik voelde zelfs dat ik rood was geworden van een voldoeninggevoel. Maar natuurlijk heb ik dat allemaal niet hardop gezegd.
Of dat toevallig was of op ongeschreven wetmatigheid, las ik op dat moment in het boek Turkse troel van Nilgun Yerli. Op de pagina zag ik de woorden ‘zwarte schapen, witte schapen’. Dat kwam onvoorstelbaar ter plekke. Daarom verdiepte ik me meteen in de strepen. Dat was een mop in de column ‘Objectief’:
Een vries die helemaal gehad heeft met de vooroordelen ten opzichte van Friezen, gaat op onderzoek uit: hij wil weten wat voor mensen Limburgers wel-of niet zijn. Hij komt in Limburg en ziet daar een herder met zijn kudde schapen lopen. Hij vraagt hem: ‘Hoeveel kilo voer eet zo’n schaap per dag?’ ‘Nou,’ vraagt de herder, ‘welke, de zwarte of de witte schapen?’ ‘Doe de witte maar,’ zegt de Fries. ‘Twintig kilo’ zegt de herder. ‘En de zwarte dan?’ Vraagt de Fries. ‘Ook twintig kilo’ zegt de herder.
Het zal wel, denkt de Fries en vraagt verder: ‘Hoeveel kilometer loopt zo’n schaap per dag?’ ‘Welke, de zwarte of de witte?’ vraagt de herder. ‘De witte’ zegt de Fries. ‘Vijf kilometer’ antwoordt de herder. ‘En de zwarte dan?’ ‘Ja, ook vijf kilometer’ zegt de herder. De Fries kan zich niet meer inhouden en barst los: ‘Waarom vraag je de hele tijd wit-of-zwart, terwijl ze beide hetzelfde doen?’
‘Nou, de witte schapen zijn van mij’ zegt de herder. ‘En de zwarte dan?’ Vraagt de Fries.
‘Ook’ zegt de herder onverstoorbaar.
Ik weet niet precies of dat aan schapen toepasselijk is, maar bij mensen geeft het woord ‘zwart’ een negatief gevoel. Schapen, zwart of wit, zijn allemaal lekker. Zij worden echt goed verzorgd met een bepaalde bedoeling. Daarom noemen wij ze schapen. Wat zij zelf erover denken of voelen doet er niet toe. Zij zijn toch schapen. Hun kleur verandert in dit geval hun status niet. Alsmaar zij lekker zijn.
Maar bij ons, mensen, bepaalt de kleur bijna alles. Je ziet huid, haar, ogen en bepaalt meteen wie hij of zij is en zet een punt. Punt om niet verder te denken. Het is vermoeiend om puntjes te zetten voor latere overweging.
Of moest de mensheid oogloos geboren worden om dingen in hun waarde zin te kunnen zien? Blinden die niet kijken maar zien. Iets dierbaars, iets kostbaars, iets dat in iedereen van ons zit.
EINDE


ex Ponto