Onlangs vierde Kosovo het feit dat de Albanese meerderheid eenzijdig de onafhankelijkheid van de Republiek Kosovo uitriep. Het conlict is al twaalf jaar geleden, maar op de Balkan zijn de spanningen tussen bevolkingsgroepen nog steeds merkbaar. In Nederland is daarvan minder te merken.
Het conflict in Kosovo is alweer 12 jaar geleden beëindigd. Servië blijft ondertussen beklemtonen dat Kosovo een autonome provincie is binnen de Servische staatsgrenzen. En ondanks inspanningen van de nationale overheden, blijft wantrouwen en vijandigheid in voormalig Joegoslavië bestaan; zo vertrouwt geen van de etnische groepen in Kosovo er op dat de andere partij haar oorlogsmisdaden daadwerkelijk zal onderzoeken en de plegers zal straffen. Ook de oorlog in Kroatië en Bosnië is inmiddels meer dan 15 jaar geleden, maar toch leeft er een sterke behoefte om Srebrenica te herdenken en de jaarlijkse nationale Kroatische Onafhankelijkheidsdag te vieren. Wat betekent al dit voor de verhouding tussen de verschillende bevolkingsgroepen in voormalig Joegoslavië en in Nederland? Is verzoening tussen bevolkingsgroepen een haalbare kaart, zowel voor de mensen op de Balkan als ook in Nederland?
Minstens 750.000 Kosovo-Albanezen hebben Kosovo gedwongen moeten verlaten in de periode van eind maart 1999 tot begin juni 1999, zo blijkt uit gegevens van het Internationaal Strafhof voor voormalig Joegoslavië (ICTY) in
Niet alleen etnische Albanezen het slachtoffer zijn geworden van massaal geweld, alle etnische groepen in Kosovo- waaronder Serviërs, Roma en Albanezen die loyaal waren aan Servië- hebben geleden tijdens en na het conflict. Van de slachtoffers zijn volgens het internationale Rode Kruis nog steeds bijna 2.000 personen vermist -Kosovaren van alle verschillende etniciteiten. Het is aannemelijk dat ze dood zijn, maar hun nabestaanden weten niets over het exacte lot van hun vermiste dierbaren. Veel Serviërs en Albanezen hebben dan ook moeite om de andere bevolkingsgroep te vergeven. Een normale dagelijkse omgang met elkaar is eveneens uitgesloten.
De meeste Albanezen in Kosovo vinden dat Servië verzuimd heeft om een groot aantal van oorlogsmisdaden verdachte personen te vervolgen voor het plegen van gruweldaden tegen de etnisch-Albanese bevolking. Op haar beurt zijn de meeste Serviërs in Kosovo van mening dat de regering van Kosovo gefaald heeft in het vervolgen en straffen van etnische Albanezen die verantwoordelijk zijn voor het begaan van oorlogsmisdaden tijdens en na de NAVO-campagne van 1999. Het wederzijds toegebrachte leed maakt dat er veel wantrouwen is. De beide bevolkingsgroepen bestaan dan ook maar moeizaam naast elkaar.
Erkenning van schuld
De uitdaging om duurzame vrede en verzoening te bereiken, na een vuile oorlog is, niet uniek voor Kosovo. De Balkanoorlog begon in Kroatië in 1991, waarna het conflict in 1992 oversloeg naar Bosnië. Alle partijen maakten zich schuldig aan mensenrechtenschendingen, maar vooral Servië wordt door haar buurlanden Bosnië-Herzegovina, Kroatië en Kosovo gezien als dader van de ergste op hun grondgebied gepleegde oorlogsmisdaden.
Verschillende landen die eerder tot Joegoslavië behoorden hebben inmiddels verdachten ter vervolging overgedragen aan het Joegoslavië-tribunaal. Neem bijvoorbeeld Servië, dat 50 personene heeft overgedragen. Nog eens iets meer dan 380 verdachten zijn door Servië overgedragen aan lokale rechtbanken, van wie er 143 ook daadwerkelijk zijn aangeklaagd en 68 veroordeeld. Toch staat men er in Servië liever niet bij stil wat de omvang is van de misdaden die onder het bewind van Slobodan Milošević –in naam van Servië- zijn gepleegd. Liever ziet men de samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal als een verplichting, een noodzakelijke prijs voor toetreding tot de Europese Unie. Veel Serviërs zijn er ook niet van overtuigd dat Mladic zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden. Maar men legt zich neer bij zijn arrestatie omdat men begrijpt dat dit nodig is om te kunnen komen tot het lidmaatschap van de EU.
Deze houding hoort bij de worsteling van landen die met een oorlogsverleden kampen om het verleden te begraven zonder het echt onder ogen te hoeven zien. Samenlevingen die herrijzen uit een oorlog, blijven vaak nog lange tijd getraumatiseerd. Een groot deel van de bevolking heeft de neiging om veroordeelde oorlogsmisdadigers te zien als nationale helden; zij zijn immers verdedigers van land en volk. De diverse regeringen van de verschillende Balkanlanden hebben tot dusver ook weinig energie gestoken in bewustwordingscampagnes, om burgers over het verleden voor te lichten. Maar om werkelijk rust te creëren in de nationale ziel en om vreedzame co-existentie tussen bevolkingsgroepen en met buurlanden te kunnen bereiken, is het nodig dat politici –van alle landen- de eigen oorlogsmisdaden veroordelen. Verklaren dat alle partijen in de oorlog zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden, zet alle misdaden op eenzelfde niveau. En dat legitimeert deze onmenselijkheden.
Bewustwording in Kroatië neemt toe
Ook in Kroatië maken velen bezwaar tegen de vervolging van hun soldaten in verband met oorlogsmisdaden. Men beschouwt zichzelf als een slachtoffer van Servische agressie dat gedwongen werd om terug te vechten. Er was zelfs grote publieke verontwaardiging toen het Joegoslavië-tribunaal een gevangenisstraf van 24 jaar uitsprak over de Kroatische generaal Ante Gotovina.
Gotovina leidde de Kroatische troepen tijdens het militaire offensief operatie Storm, dat leidde tot het herwinnen van de controle over de Servisch gecontroleerde Krajina regio. Volgens het Joegoslavië-tribunaal werden bij dit offensief minstens 150 Servische burgers opzettelijk vermoord. Ongeveer 200.000 Serviërs werden verdreven, waarvan de meesten nooit meer terug zijn gekomen. Omdat het offensief de Kroatische onafhankelijkheid veilig stelde en algemeen wordt gezien als het einde van vier jaar bloedige strijd, is Gotovina voor velen in Kroatië een nationale held. Toch neemt dit niet weg dat er ook in Kroatië op grote schaal oorlogsmisdaden zijn gepleegd. Maar ook in Kroatië willen de gewone burgers dit liever niet onder ogen zien.
Maar er is een verandering in de houding van mensen in gang gezet. De Kroatische regering heeft een centrum opgezet om de acceptatie van Kroatische oorlogsmisdaden te stimuleren. Toch is de vraag of dat dit voldoende is. De media in Kroatië zijn niet geïnteresseerd in het schrijven van verhalen over de berechting van oorlogsmisdaden. Dat is een gemiste kans, want schrijven hierover informeert niet alleen de bevolking over wat er gebeurd in de rechtbank, het biedt ook de mogelijkheid om mensen op te voeden en te overtuigen om dit soort misdaden te veroordelen.
Onderwijzen van de waarheid
In dit opzicht kan met een voorbeeld nemen aan Duitsland, waar de staat oorlogsmisdadigers blijft vervolgen, waar slachtoffers nog steeds in aanmerking komen voor compensatie en waar meer dan 60 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog nog steeds geïnvesteerd wordt om documentatiecentra te behouden. Hoewel de gebeurtenissen in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog geenszins gelijkgesteld kunnen worden met de Joegoslavië-oorlog, kan de wijze waarop de Duitse samenleving zichzelf blijft confronteren met haar verleden dienen als een leerzaam voorbeeld.
Duitsland heeft de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog niet vergeten, waaronder de zes miljoen joden die vermoord zijn tijdens de Holocaust. Het onderkent dat onderwijs de beste manier is om het verleden te begrijpen en investeert in geschiedenisboeken als sleutel tot leren over de waarheid. Natuurlijk is het zo dat het Duitsland tientallen jaren heeft gekost om dit punt te bereiken, maar de Duitse ervaring kan nuttige lessen bieden voor de Balkan. De ontdekking van de waarheid en het begrijpen ervan is een lang proces, maar mensen in de Balkan moeten met elkaar praten en naar elkaar luisteren. Helaas gebeurd dit nog veel te weinig.
Situatie in Nederland.
In Nederland kennen de verschillende etnische groepen allen hun eigen verenigingen. Bosniaks, Kroaten, Serviërs en Kosovaren komen eigenlijk nauwelijks gezamenlijk bijeen, maar houden vast aan hun herkomst. De contacten en verhoudingen tussen de verschillende etniciteiten zijn niet intensief en daardoor ook niet altijd goed.
De meest voormalig Joegoslaven noemen de relaties echter normaal en zonder spanningen. Vooral de mensen die al voor de oorlog in Nederland waren hebben minder onder invloed van nationalistische propaganda gestaan, waardoor ze beter in staat zijn om contacten aan te gaan met andere etniciteiten. Voor vluchtelingen ligt de situatie iets anders, maar ook voor hen telt dat een groot deel –in ieder geval de mensen uit de steden- al gewend was aan interetnische relaties. Vooral bij jongeren is er weinig sprake van onderlinge haat. Zij zijn opgegroeid in Nederland en daardoor gewend aan verschillende nationaliteiten en vriendschappen en huwelijken tussen leden van de verschillende bevolkingsgroepen.
Ondanks het bovenstaande geldt echter ook in Nederland dat er voormalig Joegoslaven zijn, die aangeven dat er te veel gebeurd is tijdens de oorlog. Onderling worden nog over en weer verwijten gemaakt, al lijkt de tijd langzaam de wonden te helen. Serviërs lijken vaker problemen te hebben met andere etniciteiten, vooral met de Bosniaks en Kosovaren, maar debet hieraan is vooral de houding van de internationale gemeenschap, die Bosniakken en Kosovaren als slachtoffer ziet van Servische agressie. Serviërs willen meer aandacht voor hún kant van het verhaal.
Het belangrijkste voor Nederland is evenwel om zich te realiseren dat deze houding zeker niet op ieder lid van de gemeenschap van toepassing is en dat vele voormalig Joegoslaven ook een goede –of op zijn minst normale- omgang met elkaar hebben. Daarentegen lijkt het vooruitzicht van etnische Serviërs en Albanezen in Kosovo, die elkaar proberen te begrijpen en accepteren, nog een verre toekomst. En zonder gezamenlijk verwerkingsproces, waarbij het mogelijk is om ook het lijden van de ander te benoemen, zullen etnische Serviërs en Albanezen de komende jaren wel verdeeld blijven.




ex Ponto