Wed06192013

Last update09:39:36 AM GMT

Layout

Cpanel
Back Home Buitenland
dinsdag 18 juni 2013 18:52

Gecertificeerd goud

Francis Banda: Een van de voorgestelde oplossingen om de schadelijke impact van mijnbouw te beperken, is de certificering van grondstoffen. Certificering houdt in dat bedrijven die voldoen aan standaarden een label krijgen dat het bedrijf kan gebruiken in zijn externe communicatie met consumenten en andere bedrijven. Het voordeel voor de consument is dat dit duidelijkheid verschaft over het aangekochte product of de gebruikte dienst en de omstandigheden waarin het product is geproduceerd.

Een concrete vorm van goudcertificering voor juwelen is de Fairtrade Fairmined-certificering (FT&FM) voor goud afkomstig uit de artisanale en kleinschalige mijnbouw. Dit certificeringssysteem is ontwikkeld door de Alliance for Responsible Mining (ARM) in samenwerking met Fairtrade Labelling Organizations International (FLO) en reikt een label uit aan artisanale en kleinschalige mijnbouworganisaties.

Om het label te verkrijgen, moeten de mijnbouworganisaties voldoen aan ecologische en sociale voorwaarden, zoals het verantwoord beheren en verwerken van residuen en het voorzien van veilige arbeidsomstandigheden. Deze voorwaarden tot certificering werden vastgelegd in de goudstandaard. Het geproduceerde Fairtrade Fairmined-goud wordt verkocht worden aan een, eveneens gecertificeerde, juwelier. In ruil daarvoor betaalt de juwelier de internationale goudprijs en een premie van 10% aan de producent. De hele keten wordt gecertificeerd. Op die manier worden artisanale mijnwerkers gestimuleerd om op een sociaal en ecologisch meer verantwoorde manier te produceren, zeker vergeleken met het merendeel van de werkwijzen die in de artisanale en kleinschalige mijnbouw van toepassing zijn.

In verband met het gebruik van kwik wordt een pragmatische aanpak gehanteerd in de lijn van de richtlijnen van het Global Mercury Project, waarbij kwik niet geëlimineerd maar de impact ervan tot een minimum beperkt wordt. Het vervullen van die relatief strenge voorwaarden wordt wel gecompenseerd door fairtradevoordelen zoals een premie, een uitzonderingsclausule voor disproportioneel hoge kosten voor traceerbaarheid en een extra ecologische premie indien het goud voldoet aan de extra voorwaarden voor ‘groen’ goud, waarbij geen kwik of cyanide gebruikt wordt. Op die manier probeert FT&FM de certificering ook economisch aantrekkelijk en leefbaar te maken.

Toch is er ook nogal wat kritiek op FT&FM, onder andere vanuit de milieubeweging. Het label spitst zich vooral toe op sociale aspecten, voor de ecologische dimensie blijven milieuverenigingen op hun honger zitten. Ook een ruime afzetmarkt is cruciaal voor de impact van het certificeringsysteem, aangezien het systeem gebaseerd is op de vraag naar het product om stimulansen tot certificering te creëren. Als er weinig vraag is naar het gecertificeerde product, zal de impact beperkt blijven. Op die manier ontstaat een soort kip-en-ei probleem, aangezien een tekort aan vraag een tekort aan aanbod voortbrengt. ARM en FLO zochten een manier om de afname van het goud te verhogen. Omdat zij hierop elk een andere visie hebben, kwam in maart 2013 het bericht dat de organisaties hun samenwerking stopzetten en vanaf nu twee aparte labels op de markt zullen brengen: Fairtrade-goud en Fairmined-goud. De vraag is echter of dit niet enkel meer productieoverschotten creëert in plaats van de vraag te stimuleren.

De eerste gecertificeerde mijnbouworganisatie was de coöperatie Cotapata in Bolivia, die het certificaat kreeg in december 2010. Sinds 2010 zijn er nog vier andere organisaties gecertificeerd die Fairtrade Fairmined-goud mogen exporteren: Sotrami en Aurelsa in Peru en Condoto en Tado in Colombia. In België is het faitradegoud nog maar bij drie juweliers te verkrijgen en er is ook nog geen gecertificeerde distributeur in België.

FT&FM staat dus nog in de kinderschoenen en kent nog een groot aantal uitdagingen. Zijn de standaarden te hoog voor het merendeel van de artisanale en kleinschalige mijnbouw en zal FT&FM dus een marginaal fenomeen blijven met een beperkte impact op de sector? Of zullen de standaarden worden verlaagd, om zo meer mijnbouworganisaties te bereiken met het risico dat de principes afzwakken? FT&FM is een stap in de goede richting, maar er is nog een lange weg af te leggen vooraleer de goudcertificering een significante impact zal hebben. Daarnaast biedt het systeem geen alternatief voor de grootschalige mijnbouwproblematiek, die verantwoordelijk is voor 85 à 90% van het ontgonnen goud.

dinsdag 18 juni 2013 18:46

Democratisch Turkije?

Halil Aydogdu: Het begon met een vreedzame demonstratie van milieuactivisten en bewoners van het Taksimplein in Istanbul, tegen een bouwproject dat unaniem werd goedgekeurd door het stadsbestuur (met raadsleden van de AKP, partij van premier Erdoğan, en van de CHP, de kemalistische partij). Reden van het protest: het kappen van bomen in het Gezi Park en de rigoureuze manier waarop het project werd bekrachtigd (ondertussen is de beslissing van de stad Istanbul door een administratieve rechtbank geschorst). De politie trad hardhandig op om de manifestanten van het Taksimplein te verdrijven en maakte daarbij gebruik van buitensporig geweld, zoals dat al tientallen jaren vaak gebeurt bij betogingen in Turkije. Het geweld kreeg al snel de overhand en sindsdien nam het protest een totaal ​​andere wending.

Tal van betogers hebben zich aangesloten bij de eerste groep demonstranten in het park. Doelwit van deze heterogene groep – ultranationalisten, Koerdische separatisten, kemalisten en enkele conservatieven – is het "autoritarisme van de AKP, belichaamd door Erdoğan" en voor een aantal onder hen de "sluipende islamisering van de Turkse samenleving”. Meer had de westerse pers niet nodig om een parallel te maken met de Arabische lente en nieuw leven te blazen in haar redactionele lijn aangaande de "islamistische agenda" van een politieke partij, die in 2002 werd begroet met een wantrouwen dat vandaag de dag nog altijd aanhoudt.

Is er sprake van "autoritarisme" bij de leiding van de AKP, en bij Erdoğan in het bijzonder? Zonder twijfel. Het is zelfs een van de belangrijkste eigenschappen van de politieke cultuur in Turkije, en dit bij alle partijen: verering van de leider, een zekere persoonlijkheidscultus, jacobinisme. Kortom, het is de erfenis van Mustafa Kemal, die het systeem van één politieke partij invoerde en zelf het toonbeeld is van autoritarisme.

Feit is dat Turkije vandaag een democratie is. En de AKP is en blijft, hoeveel kritiek er ook moge zijn, de belangrijkste actor in de opbouw van deze democratie. Naast zijn uitstekende prestaties in het bevorderen van de economische vooruitgang (geen buitenlandse schulden meer en sinds mei bijdragend lid van het IMF) en de herpositionering van Turkije tussen de prominente spelers op het internationale toneel, hebben zich in eigen land belangrijke hervormingen voorgedaan: de politiek staat niet meer onder voogdij van het leger, het leger heeft zich teruggetrokken in de kazernes en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is versterkt. Met name de staatsgrepen van 1960 en 1980 leidden tot de installatie van een waardenhiërarchie: de bescherming van een staatsideologie (het kemalisme) aan de ene kant, en de democratische beginselen aan de andere kant. Daarbij dienden deze laatste enkel te worden gegarandeerd indien ze het eerste principe niet in gevaar brachten.

Bovendien is het de AKP die, in tegenstelling tot de CHP, de MHP (ultranationalistische partij) en de BDP (Koerdische partij), in september 2010 een belangrijke grondwetsherziening doorvoerde met maatregelen voor positieve discriminatie, de versterking van de bescherming op persoonlijke gegevens, meer aandacht voor de rechten van kinderen, het einde van het verbod op het stakingsrecht voor ambtenaren, het verbod op militaire rechtbanken om burgers te berechten en de invoering van het recht voor burgers om beroep aan te tekenen bij het ​​Grondwettelijk Hof.

Het is ook de AKP die, ondanks de oppositie van de CHP en de MHP maar met de steun van de BDP, op het punt staat een politieke oplossing te bieden voor het Koerdische probleem: de PKK heeft zich teruggetrokken tot buiten de grenzen, en meer nog, de beleidsmaatregelen die de gelijkheid van alle burgers van Turkije waarborgen, nemen stellig toe. Onlangs werd het gebruik van de Koerdische taal in een gerechtelijke procedure gelegaliseerd en werd er een vergunning verleend voor de oprichting van de eerste Koerdische universiteit in Turkije. Een commissie werd bijeengeroepen om een constitutioneel burgerschap in te stellen dat de Turks-etnische referenties moet vervangen waarvan de huidige grondwet doordrongen is (stigmata van de kemalistische erfenis).

Turkije kan omschreven worden als een democratie in transitie. Er moeten structurele maatregelen komen om dit overgangsproces te versnellen. Essentieel daarbij zijn de goedkeuring van een nieuwe burgerlijke grondwet waarin rechten en vrijheden voor iedereen verankerd worden volgens het principe van gelijkheid, het versterken van de lokale overheden en het toepassen van de mechanismen van een participerende democratie. Het blijkt nogmaals dat de AKP de enige partij is die zich sterk inzet voor deze nieuwe grondwet.

Deze partij moet, waar nodig, onderworpen worden aan kritiek, hoe scherp dan ook, maar het gaat hier duidelijk om een sterk beleid dat ondersteuning verdient. Bovendien moeten we als democraten de verkiezingsuitslag, waarvan de AKP het product is, respecteren eerder dan deze te misprijzen. Verkiezingen mogen dan geen voldoende voorwaarde zijn voor een democratie, ze zijn wel de noodzakelijke voorwaarde. Dit is geen gegeven waar je achteloos over kunt stappen, je moet het juist aangrijpen om verder op te bouwen.

De uitdaging vandaag is om de actuele betogingen om te zetten in een politiek engagement tot meer democratie en in een opportuniteit om de AKP aan te sporen zijn beleid aan te passen. Deze laatste lijkt in ieder geval al de situatie in de hand te nemen: de vice-premier heeft zich verontschuldigd voor het politiegeweld (een ongebruikelijke houding voor de woordvoerder van een regering die zichzelf "altijd gelijk" zou geven).

In deze context moeten verantwoordelijkheden vastgesteld worden en moet er rekenschap afgelegd worden. Vorige donderdagnacht ontving de premier een delegatie van het middenveld (waaronder vertegenwoordigers van de demonstranten) en gaf te kennen dat de regering het einde van de gerechtelijke procedure rond het bouwproject zal afwachten en tot die tijd geen enkel initiatief zal nemen. Hij voegde daaraan toe dat de regering zich, in geval van annulering van het project, zal schikken naar de gerechtelijke beslissing en, in geval van goedkeuring, desondanks een referendum zal organiseren onder de burgers van Istanbul.

Tijdens deze bijeenkomst deed de premier een oproep aan de demonstranten om het Gezi Park en het Taksimplein te verlaten, zodat de normale toestand aldaar hersteld wordt; hij heeft hen met name verzocht om hun kinderen uit de buurt van het protest te houden. Deze oproep werd zaterdag in Ankara herhaald tijdens een demonstratie ter ondersteuning van de premier, een krachtdadige opkomst die honderden duizenden mensen bijeenbracht. Terwijl een groot aantal betogers deze oproep navolgden, bleef een laatste groep tegenstanders van de regering op het Taksimplein volharden in hun protest tot ze zaterdagavond onder dwang werden verdreven door de ordediensten. De uitdaging vandaag is ook voor de andere partijen om het protest te kanaliseren en zo een geloofwaardige oppositie neer te zetten zoals dat vereist is in een democratie.

Onder de verliezers van de gebeurtenissen die de voorbije dagen Turkije door elkaar schudden, zijn ook de nationale media. Zoals overal waar opstanden plaatsvonden in de afgelopen jaren, zijn deze overweldigd door sociale media, met Twitter als de belangrijkste actor in het verspreiden van informatie. Dit toont eens te meer aan dat censuur een modus operandi is van een vervlogen tijdperk.

Het overgrote deel van de westerse pers volhardt op haar beurt in het islamiseren of oriëntaliseren van politieke kwesties zodra er moslims op het toneel verschijnen. Wanneer Groot-Brittannië en Zweden regelingen treffen die de verkoop van alcohol binnen bepaalde tijdstippen en/of in de buurt van bepaalde plaatsen beperken (wat ook al werd voorgesteld door de burgemeester van de stad Brussel in 2012), dan gaat het debat over de legitimiteit van deze maatregelen op het gebied van de volksgezondheid. Wanneer Turkije dergelijke maatregelen treft, dan gaat het debat over de "sluipende islamisering van de samenleving." Zo ook kregen we gedurende een hele week van rellen in Zweden geen krantenkoppen voorgeschoteld als "Zweedse lente in Stockholm."

woensdag 12 juni 2013 13:22

Iraanse verkiezingen

vlagiran

Halil Aydogdu: Onlangs werd het 3de en het voorlopig laatste televisiedebat voor de Iraanse verkiezingen gehouden. Deze keer ging het debat voornamelijk over buitenlands beleid, en dus over, hoe kan het ook anders, de nucleaire kwestie. Maar ook over de repressie van studentenprotesten in Iran werd uitgebreid gedebatteerd.

Op het vlak van de nucleaire kwestie waren Jalili en Qalibaf de kandidaten van de harde lijn die iedere nieuwe onderhandelingsronde met het Westen en eventuele compromissen principieel afwezen. Hun boodschap was: volhouden, we hebben de andere landen niet nodig, de sancties zullen ons niet klein krijgen. Hun positie ligt zo volledig in lijn met die van Ayatollah Khamenei. De andere kandidaten namen een ofwel meer gematigde toon aan, ofwel ze riepen op tot een complete ommekeer in de huidige koers. 

In principe heeft de Iraanse president weinig zeggenschap over buitenlands beleid en nucleaire ontwikkeling, dit is volledig het domein van Opperste Leider Khamenei. In de praktijk blijkt toch dat een president wel degelijk een verschil kan maken. Zo was er onder de eerder progressieve president Mohammed Khatami een duidelijke detente in de relaties met het Westen. Men stond toen ook zeer dicht bij een akkoord over de nucleaire kwestie. Toponderhandelaar in die tijd was huidig presidentskandidaat Hassan Rouhani, huidig toponderhandelaar is tegenkandidaat Saeed Jalili. Het is dan ook geen verrassing dat het debat vrijdag zich vaak toespitste op een bitsig debat tussen beide heren over het al dan niet succes van de voorbije onderhandelingen. Een grappig moment was toen Rouhani verwees naar het boek The Age of Deception van de Egyptenaar en voormalig voormalig hoofd van het Internationaal Atoomagentschap Mohammed El-Baradei. Volgens Rouhani blijkt uit het boek dat de strategie van Khatami succesvol was, en dat El-Baradei veel lof over had voor Khatami. Prompt verwees Jalili naar een specifieke pagina (“zie pagina 175!”) van het boek waaruit moet blijken dat de Westerse landen niet te vertrouwen zijn en Iran keer op keer een mes in de rug steken.

Het debat tussen beide heren ging nog wel even door, tot ergernis van een aantal kandidaten. Zo veroordeelden kandidaten Mohsen Rezae en Ali Akbar Velayati de volgens hen radicale posities van zowel de hardliners als de hervormers en namen eerder een tussenpositie in. Rezae bijvoorbeeld stelde dat Iran geen toegevingen mag doen op zijn nucleair programma, maar wel de andere landen moet overtuigen van zijn goede bedoelingen en er naar moet streven de relaties met het Westen te verbeteren. Deze stelling kon rekenen op de hoon van Jalili en Rouhani, die hem ervan beschuldigden zichzelf tegen te spreken. Opvallend: behalve hardliners Jalili en Mohammed Bagher Qalibaf leken alle andere 6 kandidaten er van overtuigd dat de nucleaire strategie van de voorbije jaren een absolute mislukking is.

Maar er werd ook gediscussieerd over de Iraanse traditie van het gewelddadig neerslaan van studenten– en andere protesten. Burgemeester van Tehran Qalibaf sprak over zijn verleden bij de Revolutionaire Garde. Hij ontkende ooit geweld te hebben gebruikt tegen studenten. Nochtans dook een recente video op waarin hij ten aanzien van het paramilitaire korps van de Revolutionaire Garde opschepte over zijn gewelddadigheid en efficiëntie in het neerslaan van opstanden, en passant meedelend dat hij persoonlijk betogers had geslagen met een houten stok. De discussie was al bij al verrassend vrij en vrank; presidentskandidaat en hervormer Mohammed Reza Aref bijvoorbeeld liet zich kritisch uit over het geweld gebruikt tegen de Groene Beweging in 2009. Een voorzichtig positief signaal, temeer ook omdat niemand van de kandidaten zich geroepen voelde het geweld openlijk goed te praten

Ondertussen wordt er gesuggereerd of er niet alsnog een vierde televisiedebat moet komen. De televisiedebatten lijken hier wel degelijk een grote invloed te hebben. Zo valt de stijgende populariteit van aanvankelijke outsider en hervormer Rouhani te verklaren aan de hand van zijn sterke televisieoptreden. Recente polls plaatsen hem zelf als één van de koplopers, hoewel het raden is naar de betrouwbaarheid van die polls. Voorlopig kijken oppositiekopstukken en ex-presidenten Khatami en Rafsanjani de kat uit de boom en steunen ze Rouhani niet openlijk. Maar als hij de 1ste ronde overleeft zou hier wel eens verandering in komen. Polls indiceren ondertussen ook dat er nog steeds zeer veel onbesliste kiezers zijn. Dit kon ik zelf aan de lijve ondervinden telkens ik aan Iraniërs vraag of en voor wie ze gaan stemmen. Ze twijfelen meestal tussen een stuk 2 of 3 kandidaten. Wie deze zwevende kiezers kan binnenhalen heeft half gewonnen. In 2005 won Ahmadinejad compleet onverwacht de verkiezingen ten koste van topfavoriet Rafsanjani. De verkiezingen kunnen dus wel eens op het laatste nippertje op een verrassing uitdraaien.

m1nxbisa0kde sqr256

Goran Telac: Argumenten tegen president Assad zijn er genoeg te verzinnen, maar moeten er geen kanttekeningen geplaatst worden bij de onverdeelde steun aan de Syrische oppositie?

In theorie kan de soevereiniteit van een staat enkel en alleen gewaarborgd zijn indien die staat haar eigen burgers beschermt. Aangezien dat in Syrië niet het geval is, heeft de Syrische regering geen enkele legitimiteit meer. De Syrische oppositie coalitie is dus wel legitiem, aangezien ze de bescherming van burgers wel op hun agenda hebben staan. Dat Assad koste wat het kost op moet opstappen is dan ook duidelijk. Dat standpunt ligt trouwens sterk in de officiële lijn van de Europese Unie, die in 2011 de Syrische Nationale Raad als enige legitieme vertegenwoordiging van het Syrische volk erkende, en zo meteen Assad en diens regime als ongerechtvaardigd voorstelde.

Hoe verstandig is het echter om onvoorwaardelijk de kant van de opstandelingen te kiezen? De Arabische lente wordt maar al te vaak afgeschilderd als een succesverhaal, maar in Libië en Yemen is er nu sprake van een machtsvacuüm. En in Egypte heerst nu de Moslimbroederschap onder leiding van Mohammed Morsi, met dezelfde privileges als Moebarak tijdens zijn heerschappij. Geen substantiële veranderingen doorgevoerd dus.

Met Syrië liggen de zaken anders. In tegenstelling tot Libië, Yemen en Egypte is Syrië hoegenaamd geen homogeen Soennitisch islamitisch en Arabisch land. De Syrische staat heeft met haar vele minderheden namelijk een inherent sektarisch karakter: zo bestaat ongeveer driekwart van de bevolking uit Soennitische moslims, is een tiende van de bevolking Christen, en zo’n 13 procent is Sjiitisch. Onder de sjiieten vallen binnen Syrië dan nog eens de Druzen, de Ismailieten en de Alawieten. Maar ook de etnische samenstelling is heterogeen. Zo’n 90 procent van de Syriërs is Arabisch, 9 procent Koerdisch, en de overige 1 procent is hoofdzakelijk Turkmeens. Een heel ander verhaal dan Egypte dat met zijn meer dan 90% soennitische Arabieren met gemak ‘een homogene staat’ kan genoemd worden. Die gevarieerde samenstelling van de Syrische bevolking maakt de uitkomst van het conflict nog onvoorspelbaarder. Het zou er wel eens voor kunnen zorgen dat de Europese Unie zich in een wespennest begeeft waar waar het zich lelijk zou aan kan steken.

Niet alleen de religieuze en etnische samenstelling van het land is heterogeen, de oppositie is dat ook. Er is in feite geen georganiseerde Syrische oppositie, maar slechts een allegaartje aan groeperingen die het onderling oneens zijn over de te varen koers. Zo zijn bijvoorbeeld zowel de Syrische Nationale Raad als het Nationale Coördinatiebureau voor Democratische Verandering allebei oppositiegroeperingen, maar wil de Raad niet, en het Bureau wél onderhandelen met Assad. De Raad staat voor een onmiddellijke machtsovername, terwijl het Bureau het bij een geleidelijke machtsovergang houdt. Er is met andere woorden geen enkele interne consensus. Is het dan wel verstandig van de EU om zo onvoorwaardelijk de kant van de Syrische oppositie te kiezen, als die oppositie zelf niet eens weet waarvoor ze staat?  

STERRE~1

Petar Blasic: Meer dan twintig jaar na het instorten van het communistisch regime wordt duidelijk hoe de nationalistische spanningen tussen Hongarije en Roemenië tijdens de Koude Oorlog enkel in het diepvriesvak werden geparkeerd. Op zich weinig betekenende maar symbolisch geladen conflicten zetten de spanningen tussen beide landen opnieuw op scherp.

In Boedapest zijn kaarten, vlaggen en bumperstickers die herinneren aan Groot-Hongarije geen ongebruikelijk gezicht. Ten tijde van het Oostenrijks-Hongaarse rijk waar Hongarije deel van uitmaakte, liepen haar grenzen tot diep in het huidige Roemenië, Slowakije, Servië, Oekraïne en Kroatië.

Het Verdrag van Trianon maakte daar in 1920 een einde aan en Hongarije verloor twee derde van zijn grondgebied. Bijna een eeuw later zijn de littekens van Trianon nog niet volledig geheeld. Het is één van de verklaringen voor de huidige diplomatieke oorlog tussen Hongarije en Roemenië. Eerder dit jaar dreigde Titus Corlatean, de Roemeense minister van Buitenlandse Zaken, ermee de Hongaarse ambassadeur in Roemenië Oszkar Füzes, het land uit te zetten.

 

Szekler

Füzes had zijn steun betuigd aan de Szeklers. De Szeklers – etnische Hongaren die leven in het Roemeense Transsylvanië – hadden zich schuldig gemaakt aan het ophangen van de Szekler-vlag aan een overheidsgebouw, een handeling die door de Roemeense overheid in twee provincies verboden en strafbaar werd gesteld.

Zsolt Nemeth, de Hongaarse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, omschreef dat verbod als een daad van “symbolische agressie” en riep gemeenten in Hongarije op hun solidariteit te tonen door de Szekler-vlag te laten wapperen op hun gemeentehuizen. De Hongaarse regering hief de Szekler-vlag zelfs boven het parlementsgebouw, tot grote woede van Boekarest.

De Szeklers vragen al langer om meer autonomie. Hongarije zegt dat de Roemeense autoriteiten het verzoek moeten overwegen en op zoek moeten naar een oplossing, maar de Roemeense regering verwerpt die gedachte. Boekarest vreest dat autonomie voor etnische Hongaren zou kunnen uitmonden in een onafhankelijkheidsverklaring en de opsplitsing van de Roemeense staat.

 

Hongaren buiten de grenzen

In Roemenië wonen minstens anderhalf miljoen etnische Hongaren. Velen in Roemenië, en ook in andere landen waar veel etnische Hongaren wonen, zijn niet blij met de keuze van de Hongaarse regering om staatsburgerschap te verlenen aan bijna 400.000 Hongaren woonachtig “buiten de grenzen”, zoals ze genoemd worden in Hongarije. Die nieuwe Hongaarse burgers kunnen overigens stemmen bij de volgende algemene verkiezingen in Hongarije, die gepland zijn voor het voorjaar van 2014, waardoor de discussie rondom de “dubbele loyaliteit” van deze groep weer zal worden opgerakeld.

Hongarije verwerpt de kritiek met het argument dat de Hongaren buiten de grenzen een onderdeel zijn van de Hongaarse natie en daarom een stem verdienen in de toekomst van het land. De Hongaarse regering spreekt ook formeel tegen dat het land aanspraak zou maken op Roemeens territorium. János Martonyi, minister van Buitenlandse Zaken van Hongarije en zelf geboren in Transsylvanië, riep recent ook op tot rust tussen beide landen.

Toch beschouwt een aantal nationalistische Hongaren het territorium dat verloren is gegaan bij het verdrag van Trianon nog steeds als onderdeel van Hongarije. Sommige van hen bekleden hoge posities in het Hongaarse overheidsapparaat. In mei vorig jaar liep de spanning tussen Hongarije en Roemenië hoog op, nadat Laszlo Köver, de voorzitter van het Hongaars parlement, ervoor pleitte om de overblijfselen van József Nyiro, een extreem-rechtse schrijver, te herbegraven in zijn woonplaats in Roemenië. Nyiro was een voormalige katholieke priester die als parlementslid actief was tijdens het door de Nazi’s gestuurde Hongaarse marionetten regime van de Pijlkruisers aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Hij stierf in ballingschap in Spanje in 1953. Nyiro’s overblijfselen werden teruggebracht naar Boedapest. Zijn boeken zijn nu opgenomen in het schoolprogramma. Hongaarse functionarissen zeggen dat Nyiro’s geschriften gescheiden moeten worden gezien van zijn politiek, net zoals de sympathie voor het fascisme van Ezra Pound geen afbreuk zou doen aan de kwaliteit van zijn poëzie. De Roemeense regering was het niet eens met de gedachte van de ‘herbegraving’. Het labelde Nyiro als antisemiet en verbood de herbegrafenisceremonie onmiddellijk.

 

Bevroren conflict als afleiding

Dergelijke aanvaringen maken duidelijk dat het geschil tussen Hongarije en Roemenië, inzake het Verdrag van Trianon tijdens het communistische tijdperk niet werd opgelost, maar enkel werd bevroren. Meer dan twintig jaar na de wijziging van het politieke stelsel, lijkt democratie niet te hebben geleid tot meer begrip tussen Boedapest en Boekarest, wel tot meer mogelijkheden voor weinig verheffende ruzies. Kleine incidenten lijken de smeulende veenbrand op elk moment te kunnen aanwakkeren waarna de landelijke pers dagenlang over de spanning met het buurland schrijft. Politici in beide landen maken tegelijk gretig gebruik van het thema om de aandacht af te leiden van de eigen economische en sociale problemen.

En economische en sociale problemen zijn er bij de vleet. De afgelopen december gekozen Roemeense regering probeert de verkiezingsbeloften gestand te doen en tegelijkertijd het IMF tevreden te houden (als voorwaarde voor leningen mag het IMF zich bemoeien met het regeringsbeleid, PB). Het gebrek aan economische voortgang is des te schrijnender omdat er in Roemenië nog zo veel laaghangend fruit geplukt kan worden. Fatsoenlijke herverkaveling kan bijvoorbeeld fors bijdragen aan economische groei, als de noodzakelijke wetgeving er zou komen. Het saneren van staatsbedrijven of een verbetering in het veelbesproken absorptievermogen van Europees geld zouden de druk op de begroting enorm kunnen verlichten.

Om meer EU-geld te kunnen uitgeven, wordt momenteel een extra bestuurslaag voorbereid, waarbij Roemenië in 8 regio’s zou worden opgedeeld. Het argument is dat Europees geld vaak een regionale bestemming heeft, die niet uit de verf komt omdat naast elkaar gelegen provincies elkaar vaak beconcurreren in plaats van samen te werken. Een overkoepelende regio met bestuurlijke bevoegdheden zou dat probleem oplossen. Toevallig of niet, het plan speelt ook de verschillende partijbaronnen in de kaart die hun machtsbasis hopen uit te breiden.

Het politieke landschap in Roemenië wordt sinds de revolutie van 1989 bepaald door een partijoverstijgende elite die nauw verweven is met het plaatselijke zakenleven. Deze elite is sterk gebaat bij handhaving van het status quo en de eigen privileges. Dat maakt bestuurlijke of economische hervormingen zeer moeilijk. De maatschappelijke verbeteringen die in de loop der jaren plaatsvonden, kwamen vooral onder Europese druk tot stand.

Premier Ponto moet schipperen tussen de belangen van zijn politieke bondgenoten van wie hij afhankelijk is en de eisen van de EU en het IMF. Daardoor zit zijn regering zowel aan de uitgaven- als de inkomstenkant klem. Nu financiert hij pensioenen uit investeringsbudgetten, maakt zijn regering groeiprognoses wat rooskleuriger en hoopt hij op economische rugwind. Die gebrekkige koers leidt dan weer tot onzekerheid. Een kleine crisis met etnische minderheden is dan een welkome afwisseling.

Pagina 1 van 16

contact

Reacties en inzendingen
ex Ponto is een uitgave van On File, Associatie van vluchtelingjournalisten en schrijvers
ex Ponto is mede mogelijk gemaakt door:
Logo_Ministerie_OCW Logo_Democratie_en_Media Logo_StimuleringsFonds_voordePers
 

Colofon

ex Ponto

is een journalistiek magazine dat op internet verschijnt. Het merendeel van de artikelen wordt door vluchteling-journalisten en andere migranten geschreven. Met Nederlandse journalisten als gast.

 


ovidiusex Ponto

In 8 na Chr. verbant de Romeinse keizer Augustus de dichter Ovidius naar het verre Tomi (het huidige Constança in Roemenië) aan de Zwarte Zee, in de provincie Pontus. Ovidius schrijft daar zijn bekende Epistulae ex Ponto (Brieven uit de Zwarte Zee). Deze bundel bevat poëtische verzoekschriften die hij naar vrienden en invloedrijke Romeinen schreef om voor hem bij de keizer te bemiddelen om in zijn lotsbestemming te herzien. Ex Ponto is in de geschiedenis door verschillende schrijvers gebruikt als metafoor voor ballingschap.