Thu04242014

Last update09:39:36 AM GMT

Back Home Buitenland

Evin

De Evin gevangenis staat bekend als de meest afschuwelijke plek voor politieke gevangen in Perzië. (Foto: Amnesty International)

 

Persian Dutch Network: In de gevangenis Evin in Teheran worden veel politieke gevangen in elkaar geslagen door de bewakers.

De overheid verbiedt hen om hun familie tijdelijk te bezoeken omdat sommigen gewond zijn geraakt. Een aantal families staat voor het kantoor van President Rouhani en zij vragen om uitleg, maar geen enkele Iraanse ambtenaar heeft tot nu toe gereageerd.

Een moeder van één  van de gevangenen vertelt aan de BBC Perzische dienst dat de autoriteit hen heeft geboden stil te zijn.

Een moeder van één van de gevangenen vertelt aan de BBC Perzische dienst dat de autoriteit hen heeft geboden stil te zijn.

Een moeder van één van de gevangenen vertelt aan de Perzische BBC dat de autoriteit hen heeft geboden stil te zijn.

Ook de Nederlandse media (inclusief NOS/NRC die een correspondent in Teheran hebben)  heeft geen enkel bericht naar buiten gebracht over bovenstaand incident dat op 17 april plaatsvond.

De Evin gevangenis staat bekend als de meest afschuwelijke plek voor politieke gevangen in Perzië.

woensdag 23 april 2014 08:09

Extreemrechts in Oost-Europa

jobbik

 

Petar Blasic: Toen het extreemrechtse Jobbik bij de Europese verkiezingen van 2009 vijftien procent van de Hongaarse stemmen haalde, was heel Europa unaniem bezorgd. De partij manifesteerde zich als een felle tegenstander van Roma en had voor Joden en homoseksuelen ronduit denigrerende termen in petto. Het fenomeen Jobbik – toen nog met een eigen geüniformeerde vleugel – leek zorgwekkender dan andere soortgelijke fenomenen. Jobbik verschool zich immers achter extremisten in de regio om zo een serieuze heropleving van extreemrechts te suggereren. En Jobbik staat in zijn opkomst niet alleen. Ook Slovakije en Bulgarije doen dapper mee.

De Slovaakse Nationale Partij (SNP), met de onlangs afgetreden leider Jan Slota aan het roer, wist sinds 1990 zetels in het Slovaakse parlement te winnen en was vanaf 2006 zelfs onderdeel van de regering. Slota staat overigens bekend om zijn felle anti-Hongaarse opmerkingen. En hoewel zijn partij bij de laatste verkiezingen landelijk minder goed scoort, blijft zij in regionale verkiezingen sterk. Ook het Bulgaarse Ataka (‘Aanval’) grossiert in verbale aanvallen tegen Turken in het land. Ataka wist tien procent van de stemmen in de nationale verkiezingen van 2005 te winnen en is sindsdien een constante in het Bulgaarse parlement. Daarnaast weet de partij zich sinds 2007 ook in het Europees parlement vertegenwoordigd. Jobbik is in de Hongaarse verkiezingen van 2010 de op twee na grootste partij in Hongarije geworden, met zeventien procent van de stemmen. En in Tsjechië hebben ultra-rechtse partijen en hun neonazistische aanhangers in het afgelopen jaar een ongekend groot aantal anti-Roma demonstraties georganiseerd.

Retour

Op andere plaatsen lijkt extreemrechts juist op zijn retour. De Liga van Poolse Families, een xenofobe groepering met een jeugdafdeling die bekend staat om haar openlijk antisemitisme, wist zich al in 2007 niet meer in het parlement te handhaven. De Partij voor Groot-Roemenië, die graag de landsgrenzen tot ver in Hongarije wil uitbreiden, zag bij de presidentsverkiezingen van 2000 weliswaar nog hoe haar leider op de tweede plek eindigde, in 2008 was ze alweer alle parlementszetels kwijt. De Slovaakse Nationale Partij is ondanks eerdere successen sinds 2012 niet meer in het parlement en de eerder genoemde geüniformeerde outfit van Jobbik werd in 2009 bij wet verboden. Ook in het Europees Parlement verging het extreemrechts niet zo best. Een extreemrechtse fractie ging in 2007 uit elkaar na tien maanden van interne strijd. De Roemeense leden pikten het niet langer dat de Italianen hun ‘zigeuners’ noemden.

Toch wil dat niet zeggen dat extreemrechts in Oost-Europa uitgespeeld is. Het verbod op het dragen van uniformen heeft Jobbik niet van een electorale opmars kunnen weerhouden. En het verbieden van de Tsjechische neonazistische Arbeiderspartij in 2010 heeft enkel geleid tot een hergroepering van de partij onder de nieuwe naam DSSS. Feit is zelfs dat groeperingen met rechts-radicaal gedachtegoed meer dan ooit transnationale samenwerking zoeken in hun streven naar heropleving. Zo nemen Poolse, Duitse en Slovaakse ultra-rechtse supporters frequent deel aan Tsjechische protestmarsen. Volgens Amnesty International is het juist de grensoverschrijdende samenwerking die heel Europa moet verontrusten.

Protestmarsen

Volgens Miroslav Mares, politiek wetenschapper gespecialiseerd in terrorisme en extremisme en verbonden aan de universiteit van Brno, zijn het vooral Duitse neonazi’s die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het proces van integratie van het neonazistische spectrum in centraal Europa. Volgens Mares heeft de vasthoudendheid waarmee zij de regelmatige herdenkingsbijeenkomsten en protestmarsen in het Beierse Wunsiedel – de begraafplaats van nazi-oorlogsmisdadiger Rudolf Hess – hebben georganiseerd, neonazi’s tot ver over de landsgrenzen geïnspireerd.

Uiteindelijk is het belang van de Wunsiedelmarsen gedaald, als gevolg van het uitgevaardigd verbod en het feit dat het graf van Hess in 2011 werd verwijderd. Maar andere belangrijke locaties voor gezamenlijke Europese rechts-extremistische marsen, dienden zich aan. Zo worden in Dresden marsen gehouden ter herdenking van de geallieerde bombardementen van 1945. Dresden op zijn beurt heeft neonazi’s geïnspireerd om soortgelijke, internationaal bijgewoonde evenementen te organiseren in de Tsjechische republiek, Slowakije, Hongarije en Polen.

Ook op andere fronten is de internationale samenwerking van extreemrechts zichtbaar. Zo kent Oost-Europa een reeks transnationale educatieve projecten. Rechts-radicale informatieportalen zijn geen uitzondering meer op het web, getuige hiervan het bestaan van sites als Altermedia of de Metapedia encyclopedie, een neonazi variant op Wikipedia. Maar de samenwerking gaat verder. In multinationale teams wordt gewerkt aan intellectuele – maar radicale – tijdschriften, zoals de Tsjechische Nationale Gedachte of het Poolse Polityka Narodowa. En het organiseren van bezoeken door vooraanstaande rechts-extremistische ideologen, zoals David Duke’s tour door Oost-Europa, mikt op een brede Europese uitstraling.

Blood & Honour

Ook de militante vleugel van extreemrechts Oost-Europa is op zoek gegaan naar internationale samenwerking. Al sinds de jaren ‘90 hebben neonazistische organisaties steunpunten in Oost-Europa geopend, waarbij vooral Blood & Honour (met een sterke positie in Hongarije) zich goed vertegenwoordigd weet. Miroslav Mares: “Waar vele Oost-Europeanen qua arbeidsmigratie naar West-Europa en de VS emigreerden, kwamen sommigen in hun nieuwe land in aanraking met rechts-extreem gedachtegoed, wat ze op hun beurt doorsluisden naar hun thuislanden, bijvoorbeeld door het verstrekken van webhosting diensten. Ideologische concepten als Nationaal Verzet en Freie Kameradschaften, die partijpolitieke betrokkenheid met militante activiteiten combineren, wisten zich zo vanuit Duitsland via Tsjechië, Slovakije, vervolgens Oekraïne en Rusland te verspreiden.” Dit kwam tot uiting in de wederzijdse steun bij de op Roma gerichte aanvallen in de periode 2008-2011 in Tsjechië. Bij deze aanslagen  was sprake van participatie door Tsjechische, Slovaakse en Duitse neonazi’s.

Naast steeds meer samenwerking tussen extreemrechtse partijen in Oost-Europa, valt de laatste jaren ook de deelname op van politieke entiteiten in een wereldwijd netwerk van extreemrechtse organisaties. Natuurlijk zijn de pogingen tot het verenigen van de Europa’s rechtervleugel, met inbegrip van Oost-Europese partners, al enige tijd bezig, maar ze worden er niet minder om.

Op 24 oktober 2009 werd de oprichting aangekondigd van de Alliance of European Nationalist Movements (AENM), een initiatief van Jobbik, de British National Party en het Italiaanse Fiamma Tricolore. De groep werd later uitgebreid met de Zweedse Nationale Democraten, de Finse Nationale Partij, het Belgische Front National, de Oekraïense Unie voor Vrijheid, Partido Nacional renovador uit Portugal, evenals de Republikeinse Sociale Beweging uit Spanje. Later vond uitbreiding met nog meer partijen uit nog meer landen plaats. In februari 2012 werd AENM erkend als politieke partij op EU-niveau, waardoor de beweging in aanmerking komt voor financiering uit de EU-begroting. Dit heeft geleid tot protesten van politieke tegenstanders die sindsdien streven naar een verandering in de regels, vaak refererend aan de xenofobe retoriek van AENM-medeoprichter Jobbik.

Politieke onrust

Extreemrechts in Oost-Europa verschilt volgens Mares van de westerse equivalenten in de keuze van haar vijanden. Mares: “In het westen gedijt extreemrechts op het discrimineren van allochtonen. In het oosten is de beweging atavistischer. Ze zet zich af tegen etnische minderheden, homoseksuelen, internationale investeerders, en natuurlijk Joden. Roma-haat is de standaard. Extreemrechts heeft een groot geheugen voor oude territoriale geschillen en buit economische angst uit.” Blijkbaar creëert een decennium van groei toch nog ruimte voor vele arme en ontevreden mensen. “Ze grijpen terug naar een tijdperk waarin de staat hen beschermde tegen de ruwe marktwerking”, zegt Mares. “Dit creëert een rechts-extremistisch type mens, met sympathie voor nationalisatie en een afkeer van de vrije markt.”

Toch lijkt de beste voedingsbodem voor extreemrechts politieke onrust te zijn, als gevolg van corruptie, een zwakke overheid en een gebrek aan vertrouwen in de gevestigde politieke partijen. De essentie van extreemrechts is om tegen de gevestigde orde te zijn, met leiders die het opnemen tegen de corrupte elite die het land hebben verkocht aan buitenlandse bankiers. Jobbik en Ataka zijn met deze ideologie groot geworden. Het Poolse rechtse spectrum kwam tot bloei in 2005, toen wanbeheer en corruptie de socialistisch geleide regering kenmerkten.

Uiterst rechtse partijen zijn echter vaak niet erg doeltreffend. Rachel Briggs van het Institute for Strategic Dialogue betoogt dat ze, hoewel ze tegen corruptie en incompetente leiders zijn, er in de praktijk weinig van bakken. “De Slovaakse Nationale Partij heeft drie ministers moeten ontslaan na aantijgingen dat ze betrokken zouden zijn bij duistere praktijken. Na drie jaar in de regering was de enige prestatie van de partij een verslechterde relatie met Hongarije en met de Slovaakse etnische Hongaren.” Op eenzelfde wijze wordt Gheorge Funar, de ultranationalistische burgemeester van het Roemeense Cluj van de jaren ’90, enkel nog herinnerd vanwege zijn semilegale piramidespel en het schilderen van parkbankjes in de nationale kleuren.

Deelname in de regeringscoalitie brengt rechts-radicalen dus weinig voldoening. Volgens Briggs was het electorale succes van 2005 in Polen niet meer dan de opmaat naar de ondergang in 2007, toen de Polen de voorkeur gaven aan een meer gematigde regering na twee jaar rechtse regering. “Maar sommige extreemrechtse ideeën zijn doorgesijpeld naar andere partijen”, stelt Briggs. Meteen de reden waarom er geen grote uiterst rechtse partijen in de Baltische staten zijn: die landen kennen al brede en harde centrumrechtse coalities.

Letland verbood in 2006, na Litouwen, het homohuwelijk. Ook in Polen staat men zeer terughoudend tegenover dit onderwerp. Protestmarsen vóór homorechten worden verboden of eindigen in schermutselingen. De Hongaarse rechtse pers wordt overspoeld met antikapitalistische complottheorieën die zich richten tegen dan eens liberalen, dan weer communisten en soms Joden. De centrumrechtse voormalige premier van Bulgarije Boyko Borisov – in februari van dit jaar stapte hij op na protesten over onder meer corruptie – klaagde graag over het ‘menselijk materiaal’ van zijn land, waarmee hij wilde zeggen dat Bulgarije te veel zigeuners, Turken en gepensioneerden zou hebben.

De Poolse Partij voor Recht en Rechtvaardigheid is sociaal gezien rechtser dan de meeste westerse conservatieven. Anti-Hongaarse gevoelens zijn in Roemenië en Slovakije gemeengoed en dit niet enkel bij extreemrechts. De eigen incompetentie mag extreemrechts dan in politieke zin de das omdoen, sommige van hun ideeën blijken onuitwisbaar. Verdergaande internationale samenwerking, onder meer via internet, conferenties en magazines, kan de positie van extreemrechts in de toekomst mogelijk nog behoorlijk versterken.

dinsdag 22 april 2014 09:35

Geen geld voor slachtoffers Rwanda

rwanda

 

Francis Banda: In de nasleep van de genocide van april 1994 is in Rwanda een fonds opgericht dat de slachtoffers en nabestaanden medische zorg en onderwijs aanbiedt. Ook is op verschillende niveaus werk gemaakt van de vervolging van de schuldigen. Op lokaal niveau werden dorpsrechtbanken opgericht. Voor de zware misdadigers kwam er een speciaal Rwanda-tribunaal in Tanzania, dat onder de hoede van de VN staat. Vraag is of dat volstaat om het verwerkingsproces te voltooien. Financiële compensaties voor slachtoffers en nabestaanden zijn tot nog toe immers uitgebleven.

Sommige experts stellen dat financiële tegemoetkoming een even belangrijke rol speelt in het verwerkingsproces als de vervolging van de schuldigen, zoals het Institute of Research and Dialogue for Peace. Dat instituut is in Kigali gevestigd en probeert vrede in Rwanda te bevorderen door dialoog en het uitwisselen van ervaringen te promoten. Filip Reyntjens, professor aan de Universiteit Antwerpen en kenner van Centraal-Afrika, is het hier niet helemaal mee eens. ‘De verwerking van conflicten kan uitmonden in zogenaamde “meta-conflicten”. Discussies over schadevergoedingen en compensaties leiden dan tot nieuwe conflicten. Zeker in kleine gemeenschappen die ook etnisch verdeeld zijn, kan dat het geval zijn.’

Dat is niet het standpunt van Advocaten zonder Grenzen (ASF). ASF is een ngo die een rechtsstaat helpt opbouwen in landen waar die nog niet bestaat. Chantal Van Cutsem werkt er als coördinator van hun projecten in de regio van de Afrikaanse Grote Meren. ‘Het is belangrijk voor de verzoening dat er een bepaalde schadevergoeding voor de slachtoffers is', zegt Van Cutsem. 'De vorm die die vergoeding aanneemt, kan wel variëren. Nu is er al een fonds dat instaat voor de medische zorg en de schoolkosten van slachtoffers van de genocide, maar dat is niet voldoende.’

Alternatieve straf

Reyntjens betwist ook de stelling dat er nog geen schadevergoedingen uitgekeerd zijn. ‘We spreken over een rurale samenleving. Schadevergoedingen worden daar vaak niet in geld uitbetaald, maar in de vorm van arbeid. De veroordeelden gaan dan bijvoorbeeld een tijd werken op de akkers van de nabestaanden of slachtoffers.’ Enkel de grote vissen moeten compensaties betalen in klinkende munt. Het klopt dat bepaalde misdadigers verplichte arbeid moesten uitvoeren, maar Van Cutsem brengt een belangrijke nuance aan. ‘Ze werden veroordeeld tot “travaux d’intérêt géneral”. Ze moesten werken voor de gemeenschap, maar er was nooit een link tussen dader en slachtoffer. Ik beschouw dat zeker niet als een compensatie. Het is louter een alternatieve straf.'

Het is niet evident om het leed dat in april 1994 is aangericht op een correcte manier te vergoeden. Hoe bereken je immers zoiets? Na de gruwelijke feiten was het land ook vooral bezig met wederopbouw. Huizen moesten heropgebouwd, maar ook - en belangrijker nog - de gemeenschap. De genocide had tienduizenden kinderen tot wezen gemaakt, vrouwen tot weduwen. Naar schatting twee miljoen Hutu’s vluchtten naar Congo. Maar ook twintig jaar later zwijgt de Rwandese politiek nog over compensaties voor de slachtoffers. De regering is immers in bepaalde gevallen zelf ook veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, maar die uitspraken zijn nog steeds niet uitgevoerd.

‘Als Advocaten zonder Grenzen hameren wij op de onafhankelijkheid van het gerecht. Het is uiterst belangrijk voor de slachtoffers, maar ook voor de rechtsstaat, dat toegekende schadevergoedingen ook betaald worden’, aldus Van Cutsem. De reden waarom die compensaties nog niet betaald zijn, is niet duidelijk. ‘In Rwanda en Congo is het gemiddelde percentage van uitgevoerde beslissingen laag, niet alleen in rechtszaken die met de genocide te maken hebben. Het gebeurt heel vaak dat beslissingen niet uitgevoerd worden om een of andere reden’, legt Van Cutsem uit. Ze gelooft niet dat grootschalige corruptie of omkoping een reden is waardoor de slachtoffers op hun geld moeten wachten. ‘De problemen kunnen ook van praktische aard zijn. Als de staat vergoedingen moet uitkeren, is er een samenwerking nodig tussen de ministeries van Justitie en Financiën. Zoiets is niet simpel in Rwanda.’

Collectieve compensatie

Het zou ook een rol spelen dat het openlijk uitkeren van schadevergoedingen aan de Tutsi’s, de grootste slachtoffers van de genocide, wrevel zou veroorzaken bij de Hutu’s. Zo kunnen schadevergoedingen tot een nieuw conflict leiden. Reyntjens gelooft niet in deze these. ‘Het fonds dat er na de genocide kwam, en dat onder meer in studiebeurzen voorziet, is ook enkel voor de Tutsi’s bestemd. De Hutu’s kunnen daar geen aanspraak op maken, en soms is daar inderdaad  ongenoegen over bij de Hutu’s. Als er een fonds is dat Tutsi’s bevoordeelt, kan men evengoed ook schadevergoedingen aan Tutsi’s uitkeren.’

Chantal Van Cutsem denkt dat er inderdaad een kans bestaat dat schadevergoedingen voor Tutsi’s de Hutu’s op stang zouden jagen, maar alleen als er sprake is van collectieve schadevergoedingen. Niets wijst er echter op dat de regering dit van plan is. ‘Ik kan me inbeelden dat het problematisch zou zijn als er een vergoeding komt die enkel voor de Tutsi-bevolking bedoeld is. Collectieve compensaties voor een bepaalde etnische groep zijn altijd heel gevoelig. Dat zou niet goed vallen bij de Hutu’s omdat een groot deel van de bevolking in precaire omstandigheden leeft. Het zou zeker verzoening in de weg staan, omdat ook heel wat Hutu’s onder de genocide geleden hebben op een of andere manier.’

Schadevergoedingen alleen zullen niet tot verzoening leiden. Slachtoffers willen dat de daders ook gestraft worden. Dat was dan ook een van de doelen van de opgerichte dorpsrechtbanken, de zogenaamde Gacaca-rechtbanken. Die waren gebaseerd op de traditionele rechtsspraak en moesten ook een waarheids- en verzoeningsproces op gang brengen om het traumatische verleden te verwerken. Voor de Gacaca stonden de zware misdadigers niet terecht, die werden nog steeds door de Rwandese justitie of het VN-tribunaal in Arusha berecht. Er kwamen 14.300 Gacaca-rechtbanken verspreid over dorpen in heel Rwanda.
Duizenden dorpsrechters werden aangesteld. Ze kregen een beperkte juridische training. De maximumstraf die rechters konden geven, was dertig jaar cel. Het systeem werd internationaal geprezen, maar was ook niet onomstreden. Rechters waren gevoelig voor corruptie omdat ze niet betaald werden. Ook was er een te grote bemoeienis van de lokale autoriteiten.

Chantal Van Cutsem gaat akkoord met die laatste these. ‘Er is een recuperatie geweest van de administratie op lokaal niveau. Ze hielpen bijvoorbeeld bij het opstellen van lijsten van slachtoffers. Dat heeft aan die rechtbanken een imago gegeven dat het systeem niet meer door de bevolking zelf werd beheerd. Er was heel wat wantrouwen onder de bevolking ten opzichte van de Gacaca.’ Van Cutsem voegt er nog aan toe dat de rechtbanken veel te lang hebben aangesleept. In 2012 besloot de Rwandese overheid om het systeem na tien jaar stop te zetten. 

Tribunaal

De rol van de VN tijdens de genocide is ook niet onbesproken. De aanwezige troepenmacht, bevoegd voor peacekeeping, verliet het land nog voor het einde van de genocide. Nemen de VN haar verantwoordelijkheid in de nasleep van het conflict? Wel op het juridische vlak, er kwam immers een Internationaal Rwanda-tribunaal, dat tot nu toe al negentig rechtszaken heeft afgewerkt. De straffen lopen uiteen van 10 maanden cel tot levenslang. Over compensaties voor de slachtoffers blijft het echter stil bij de VN. Advocaten zonder Grenzen ijvert er al langer voor dat VN-tribunalen ook schadevergoedingen zouden kunnen opleggen. Van Cutsem vindt dat de internationale gemeenschap geen rol te spelen heeft in het betalen van schadevergoedingen. ‘De internationale gemeenschap heeft al sterk bijgedragen tot het herstel van Rwanda, via budgettaire steun en investeringen in het land. Het is in de eerste plaats een taak van de nationale overheid om schadevergoedingen te organiseren. Wat ik niet uitsluit, is dat de internationale gemeenschap zou bijdragen aan een fonds dat op nationaal vlak wordt opgericht.’

 

 

bosnia

Petar Blasic: Op 9 februari was de wereld getuige van heftige rellen in Bosnië-Herzegovina. Sindsdien houden de protesten onverminderd aan. De burgers zijn hun incompetente en corrupte regering beu. Nu de rook van brandende regeringsgebouwen en afvalcontainers in Sarajevo, Tuzla en andere steden wat is opgetrokken, vragen analisten binnen en buiten Bosnië-Herzegovina zich af wat geleid heeft tot de demonstraties. En vooral: wat kan de oorzaken van deze uitingen van publieke onvrede wegnemen?

De Bosnische demonstranten lijken in wezen ontevreden over alles. Dit is het resultaat van de economische crisis, maar ook van de onwerkbare verdeling van het land in twee entiteiten die iedere besluitvorming lamlegt. De demonstranten eisen de meest uiteenlopende zaken: werk, uitbetaling van salarissen, betere gezondheidszorg, het terugdraaien van privatisering, het afschaffen van de kantons en het ontslag van de federale regering. Ze willen dat het fundament waarop het naoorlogse Bosnië-Herzegovina gebouwd is, volledig op de schop gaat. Een meerderheid van de bevolking – zowel in de Servische entiteit Republika Srpska als in de Moslim-Kroatische federatie – steunt de protesten. Opvallend is de verschuiving in de publieke opinie: de toekomst van Bosnië moet niet meer bepaald worden door etnisch gemotiveerde angstpolitiek, maar door alledaagse dingen als brood op de plank. Toch proberen de zittende politici hun positie te handhaven en leggen ze de schuld voor de onrust vooral bij anderen.

Ongelukkig land

Zo beweert Dragan Covic, de voorzitter van grootste Kroatische partij in Bosnië, de nationalistische HDZ, dat “de sociale ontevredenheid een alibi is om brutale aanvallen op staatsinstellingen van Kroatische gebieden te kunnen uitvoeren”. Milorad Dodik, president van de Servische Republiek, zegt dat “Bosnië-Herzegovina een ongelukkig land is, een experiment van buitenlanders dat maar beter in drie delen kan worden gesplitst, zodat de mensen in vrede kunnen leven. Bosnië verdient het niet te bestaan”.

De demonstraties van de Bosniaks zijn volgens Dodik een strategie van de Bosniakse politici, die hun eigen positie veilig willen stellen door wijzigingen aan de Dayton overeenkomst aan te brengen en door een sterker centraal bestuur vanuit Sarajevo te organiseren. Fahrudin Radoncic, Bosniak en minister van Veiligheid, wijst op zijn beurt naar het “jarenlange wanbestuur door politici in de kantons, die hun burgers beroven” als oorzaak voor de publieke onvrede.

Florian Bieber, professor en directeur van het centrum voor Zuid-Europese studies van de universiteit van Graz, geeft aan dat “gedurende de afgelopen 18 jaar iedere verandering in Bosnië van buitenaf was opgelegd”. Bieber: “In de eerste jaren was het de High Representative die trachtte met een minimum aan opgelegde staatshervormingen – zoals die in de Dayton overeenkomst waren geformuleerd – de macht van de tegenwerkende elite in te perken. Daarna probeerde de High Representative de staatkundige activiteiten uit te breiden tot een minimaal functioneel niveau en soms iets verder.”

De afgelopen jaren waren het de VS en de EU-bemiddelaars die met verschillende instrumenten geprobeerd hebben de grondwet te hervormen. Voorbeelden hiervan zijn een pakket maatregelen in april 2006 en de Butmir onderhandelingen, een paar jaar later. De meest recente inspanningen komen van de Duitse regering en de Europese commissaris voor Uitbreiding Stefan Füle die onderhandeld hebben over de implementatie van een nieuwe wetgeving voor mensenrechten. Professor Bieber: “Ondanks de goede bedoelingen zijn de inspanningen van de afgelopen tien jaar om de constitutionele structuur van Bosnië te veranderen, hopeloos mislukt. Uitzondering zijn de maatregelen uit 2006 en sommige andere die bijna succesvol waren, maar in zijn totaliteit zijn de afgelopen tien jaar een verloren decennium.”

Hervormingen mislukten keer op keer. De organisatie van goed bestuur door politici die langs etnische lijnen de verdeel-en-heers tactiek hebben toegepast, faalde helemaal. Dit ligt allemaal mee aan de grondslag van de rellen in het Balkanland. Bieber: “Het land heeft zich sinds het einde van de oorlog in geen enkel opzicht kunnen ontwikkelen.”

Verandering

Valery Perry van de Public International Law and Policy Group woont sinds 1999 in Sarajevo. Zij benadert de recente ontwikkelingen sceptisch: “Het is mij niet duidelijk of de woede-uitbarstingen in Sarajevo en heel Bosnië-Herzegovina nu echt spontaan waren, of dat er toch sprake is van een katalysator en organisator achter de schermen.” Perry wijst op de vreedzame protesten van afgelopen juni, waarbij gezinnen hun kinderen in het gras voor het parlementsgebouw lieten spelen, terwijl de volwassenen de standpunten van activisten bediscussieerden. “De rellen in Sarajevo lieten een opvallend groot aantal jonge mannen met gemaskeerde gezichten zien, die hun agressieve demonstratie onderbraken om kiosken te plunderen”, zegt Perry.

Wel duidelijk is de toch al grote en almaar groeiende onvrede over een politiek systeem dat niet werkt. Volgens Perry hebben de afgelopen achttien jaar het bewijs geleverd dat het constitutionele en electorale systeem dat de oorlog in Bosnië moest beëindigen, vooral gewerkt heeft voor de door nepotisme geleide politieke elite. “Maar de rest van het land, de overweldigende meerderheid van alle etniciteiten, is tekort gedaan”, zegt Perry. Enquêtes uit 2013 laten zien dat er onder de bevolking wel degelijk een bereidheid is tot hervormingen. Perry: ”Zowel Bosniaks, Kroaten als Serviërs willen constitutionele hervormingen en wel op basis van echte onderwerpen en belangen om op die manier de wurggreep van de partijen die de politiek en economie domineren, te doorbreken.”

Politieke elite

Constitutionele hervormingen zijn dus gewenst. Maar Perry betoogt dat deze niet moeten worden doorgevoerd door dezelfde partij-elite of achter gesloten deuren: “De uitkomsten zouden geen democratische legitimiteit hebben, terwijl dat juist nodig is om het land verder te brengen.” Perry pleit dan ook voor meer betrokkenheid van burgers bij hervormingsprocessen. Soeren Keil, docent Internationale Betrekkingen van de Canterbury Universiteit, voegt hier nog aan toe, dat het maar zeer de vraag is of de Bosnische bevolking ook staat te wachten op de inmenging van buitenstaanders zoals de EU.

Keil: “Anders dan in Oekraïne zwaaien de mensen in Bosnië niet met EU vlaggen. Ze zijn zich er ook van bewust dat de EU mede verantwoordelijk is voor de situatie waarin Bosnië verkeert, ook voor de politieke impasse. Hoewel de mensen niet tegen de EU zijn, staan ze ook niet te trappelen om inmenging van buitenaf. Ze willen vooral dat hun politieke leiders het veld ruimen”.

Ook Florian Bieber erkent dat de politieke elite in de ogen van de burgers in diskrediet is geraakt: “Niet enkel de protesten van de laatste tijd laten dit zien, maar ook opiniepeilingen die de afgelopen jaren zijn gehouden. Toch weigeren politici een compromis te vinden voor hun geschillen, waardoor het land stuurloos is geworden.” Volgens Bieber was het juist ook de buitenlandse inmenging die heeft bijgedragen tot de huidige stand van zaken. Internationale mediators zouden zich in hun contacten steevast op de leiders van de grootste partijen hebben gericht, waardoor die onmisbaar zijn geworden.

“Maar tegelijkertijd hebben ze niet gepresteerd”, zegt Bieber. De heersende partijen ontlenen hun bestaansrecht aan de onderhandelingen en het gegeven dat zij de legitieme vertegenwoordigers van een bepaalde gemeenschap zijn: “Toch zijn ze niet bereid geweest om een compromis te sluiten dat betekenisvol is voor het land of de burgers.”

Volgens Paddy Ashdown, de meest succesvolle High Representative tot nu toe, moet de Europese Unie zich veel meer moeite getroosten om van Bosnië een functionerende staat te maken, omdat verdere segregatie in dit verkiezingsjaar de situatie er heel snel kan laten ontvlammen. Samen met de parlementaire verkiezingen in oktober van dit jaar worden namelijk ook voor het eerst sinds het uitbreken van de oorlog de resultaten van een volkstelling bekend gemaakt. Het resultaat daarvan kan nog meer existentiële angst over de toekomst van Bosnië-Herzegovina opleveren.

Status quo

De heersende politieke elite heeft normaliter geen prikkels om naar verandering te streven. Perry bepleit dan ook dat de VS en de EU als externe partijen een belangrijke rol in het veranderingsproces moeten spelen. “Maar niet door het verandertraject in te stappen met de politieke elite, maar door een solide omgeving te scheppen, waarin een democratisch proces kan gedijen”, zegt Perry. Ze doelt daarbij op de financiële en politieke voorwaarden, waarbij de hulp van buitenaf afhankelijk wordt gemaakt van het betrekken van burgers in het besluitvormingsproces.

Ook de Oostenrijkse diplomaat met Sloveense roots Wolfgang Petritsch onderschrijft deze aanpak. Hij stelt voor om het falende politieke bestel van Bosnië – voor nog geen vier miljoen inwoners 140 ‘ministers’, 800 ‘parlementariërs’, een budget dat voor bijna de helft naar bureaucratie gaat – via een soort Marshallplanachtige opzet te vervangen door een werkend politiek systeem.

Ook Ed Joseph, voormalig hoofd van de OSCE missie in Kosovo, denkt dat betrokkenheid van zowel de VS als de Europese Unie noodzakelijk is om het falende beleid van de afgelopen jaren te vervangen. Hij onderstreept daarbij de noodzaak om nu te handelen, omdat de heersende elite zwak is en omdat de internationale gemeenschap door de spanningen in Bosnië-Herzegovina gedwongen is om op te treden.

“Een pauze in de protesten kan voor de internationale gemeenschap een welkom excuus zijn om niet in te grijpen en terug te vallen op credo’s als luisteren naar de burgers, terwijl ze ondertussen niets doet”, zegt Joseph. Anders dan Perry ziet hij echter niets in het betrekken van burgers. Joseph: “In mijn ervaring zien de meeste Bosniërs Kosovo en Servië als een relevant vergelijk voor hun situatie”. Net als Bosnië is Kosovo fysiek en politiek verdeeld. De heersende politici staan niet bekend om hun integriteit, de economie is zwak en de werkloosheid is hoog. De voormalige Joegoslavische provincie wordt zelfs niet door alle EU-lidstaten erkend.

“Toch hebben Kosovaren de EU in het vooruitzicht”, zegt Joseph, “dankzij een gewaagde aanpak van de VS en de EU die zijn oorsprong vindt in 2011, ook als antwoord op een serieuze crisis”. Feit is dat in zowel Servië als Kosovo een sterke consensus heerst over de wil om zich bij de EU te voegen. Joseph: “En naarmate de toenadering tot de EU vordert, zullen de burgers van beide landen ook profiteren van hulp en hervormingen, waardoor ze zich ook steeds meer betrokken zullen voelen bij de besluitvorming in hun land”.

Opmerkelijk daarbij is dat er vrijwel geen sprake was van het betrekken van burgerinitiatieven in het door de EU geleide Kosovo-Servië proces dat aan de basis van de huidige doorbraak ligt. Niet alleen werden burgers niet bevraagd, Belgrado nam zelfs beslissingen zonder ze te finetunen met de leiders van het door Servië gedomineerde deel van Kosovo. Jospeh: “Niet de meest democratische aanpak, maar het resultaat telt.”

maandag 17 maart 2014 12:49

Geweld in Centraal-Afrikaanse Republiek

    car

    Francis Banda: De situatie in CAR is gewelddadiger en gecompliceerder dan ooit. Christenen en moslims staan lijnrecht tegenover elkaar. De aanleiding van de conflicten lijkt de bevolking al enige tijd uit het oog verloren te zijn. Sinds zijn onafhankelijkheid in 1960, is CAR slachtoffer van slecht bestuur en kwamen presidenten steeds aan de macht door staatsgrepen of frauduleuze verkiezingen. Een stabiele politieke situatie is er dus nooit geweest, en daar betaalt de bevolking nu de prijs van. Voormalig president François Bozizé voerde van 2003 tot 2013 een corrupt beleid in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Hij zorgde er resoluut voor dat familieleden belangrijke posten bekleedden in de regering, zodat hij intern geen tegenwind kreeg. De vele anti-regeringsopstanden drukte hij met harde hand de kop in, tot in 2013, wanneer de Islamitische rebellengroep Séléka met een staatsgreep de bovenhand kon nemen. Niet lang nadien nam de groepering de hoofdstad Bangui in, en benoemde de moslim Michel Djotodia tot nieuwe president. Djotodia bleek weinig invloed te hebben op de rebellen van Séléka, die overgingen tot plunderingen en andere criminele activiteiten. De rebellen, die zelf uit het extreem arme noorden kwamen, hadden het vooral gemunt op de christelijke meerderheid in het zuiden van CAR. Zo ontaarde het conflict in een op het eerste zicht religieuze strijd.

    Een echte religieuze oorlog is het conflict dus niet. Christenen en moslims hebben namelijk jarenlang in vrede samengeleefd. Hoewel de twee religieuze groepen wel tegen elkaar strijden, gaat het vooral om een botsing tussen het arme noorden -vertegenwoordigd door de islamitische rebellengroep- en het iets minder arme zuiden van het land waar vooral christenen wonen. Het noorden werd jarenlang achteruit gesteld in het beleid van Bozizé, tot grote ontevredenheid van de bevolking. Deze misnoegdheid kon Séléka uitbuiten om strijders te rekruteren. Om zichzelf en hun dorpen te verdedigen, organiseerden de christenen milities, genaamd Anti-Balaka, tegen de rebellengroepen. Met alle gevolgen van dien, want wanneer de milities eind vorig jaar Bangui binnenvielen om de rebellen te verdrijven, kwam de burgeroorlog in een extreem bloedige en wraakzuchtige neerwaartse spiraal. Ondertussen konden de christelijke gevechtsgroepen Séléka en president Djotodia verdrijven, en is voormalig burgemeester van Bangui, Catherine Samba-Panza, aangesteld als president ad interim.

    De Centraal-Afrikaanse Republiek was vroeger een kolonie van Frankrijk, maar de twee landen hebben nog steeds nauwe banden met elkaar. CAR maakt deel uit van het zogenaamde “Françafrique” wat wil zeggen dat ze op bepaalde hoogte nog afhankelijk zijn van elkaar. Hun munteneenheden zijn bijvoorbeeld aan elkaar vastgeklonken. Als Frankrijk intervenieert in Afrika is dat om te overleven als wereldmacht. Het einde van de Françafrique zou een groot nadeel zijn voor Frankrijk, aangezien de Afrikaanse bodems vol grondstoffen zitten. CAR is bijvoorbeeld rijk aan hout, landbouwgrond, water, olie en grondstoffen zoals diamant en uranium. In de Centraal-Afrikaanse Republiek is westerse hulp zoals die van Frankrijk erg welkom. De bevolking heeft namelijk heel weinig vertrouwen in de buurlanden. Buurlanden willen wraak nemen en zijn ook bezig met religieuze conflicten. De geloofwaardigheid van westerse troepen zoals die van Frankrijk is groter, ze hebben er meer vertrouwen in. De Franse troepen vechten niet. Ze gebruiken geen geweld. Ze zijn er als humanitaire hulp en om de vrede te bewaren. Ze bewaken bijvoorbeeld vluchtelingenkampen.

    Dat is misschien wel het moeilijkste punt in heel de CAR-problematiek. Moslims en christenen, noord en zuid, alle burgers zijn momenteel verzeild geraakt in wraakzuchtige opstand tegen elkaar. De bevolking is een speelbal van de corrupte politiek en de regering, die hen tegen elkaar opzette om zelf macht te kunnen verkrijgen. Er is geen goed en slecht in deze oorlog tussen christenen en moslims. Beide bevolkingsgroepen zijn gelijkwaardig, maken dezelfde fouten en strijden eigenlijk voor hetzelfde doel. Maar het “slechte” staat bovenaan, het is de regering.

    Pagina 1 van 22

    contact

    Reacties en inzendingen
    ex Ponto is een uitgave van On File, Associatie van vluchtelingjournalisten en schrijvers
    ex Ponto is mede mogelijk gemaakt door:
    Logo_Ministerie_OCW Logo_Democratie_en_Media Logo_StimuleringsFonds_voordePers
     

    Colofon

    ex Ponto

    is een journalistiek magazine dat op internet verschijnt. Het merendeel van de artikelen wordt door vluchteling-journalisten en andere migranten geschreven. Met Nederlandse journalisten als gast.

     


    ovidiusex Ponto

    In 8 na Chr. verbant de Romeinse keizer Augustus de dichter Ovidius naar het verre Tomi (het huidige Constança in Roemenië) aan de Zwarte Zee, in de provincie Pontus. Ovidius schrijft daar zijn bekende Epistulae ex Ponto (Brieven uit de Zwarte Zee). Deze bundel bevat poëtische verzoekschriften die hij naar vrienden en invloedrijke Romeinen schreef om voor hem bij de keizer te bemiddelen om in zijn lotsbestemming te herzien. Ex Ponto is in de geschiedenis door verschillende schrijvers gebruikt als metafoor voor ballingschap.