Sat04192014

Last update09:39:36 AM GMT

Back Home Buitenland

bosnia

Petar Blasic: Op 9 februari was de wereld getuige van heftige rellen in Bosnië-Herzegovina. Sindsdien houden de protesten onverminderd aan. De burgers zijn hun incompetente en corrupte regering beu. Nu de rook van brandende regeringsgebouwen en afvalcontainers in Sarajevo, Tuzla en andere steden wat is opgetrokken, vragen analisten binnen en buiten Bosnië-Herzegovina zich af wat geleid heeft tot de demonstraties. En vooral: wat kan de oorzaken van deze uitingen van publieke onvrede wegnemen?

De Bosnische demonstranten lijken in wezen ontevreden over alles. Dit is het resultaat van de economische crisis, maar ook van de onwerkbare verdeling van het land in twee entiteiten die iedere besluitvorming lamlegt. De demonstranten eisen de meest uiteenlopende zaken: werk, uitbetaling van salarissen, betere gezondheidszorg, het terugdraaien van privatisering, het afschaffen van de kantons en het ontslag van de federale regering. Ze willen dat het fundament waarop het naoorlogse Bosnië-Herzegovina gebouwd is, volledig op de schop gaat. Een meerderheid van de bevolking – zowel in de Servische entiteit Republika Srpska als in de Moslim-Kroatische federatie – steunt de protesten. Opvallend is de verschuiving in de publieke opinie: de toekomst van Bosnië moet niet meer bepaald worden door etnisch gemotiveerde angstpolitiek, maar door alledaagse dingen als brood op de plank. Toch proberen de zittende politici hun positie te handhaven en leggen ze de schuld voor de onrust vooral bij anderen.

Ongelukkig land

Zo beweert Dragan Covic, de voorzitter van grootste Kroatische partij in Bosnië, de nationalistische HDZ, dat “de sociale ontevredenheid een alibi is om brutale aanvallen op staatsinstellingen van Kroatische gebieden te kunnen uitvoeren”. Milorad Dodik, president van de Servische Republiek, zegt dat “Bosnië-Herzegovina een ongelukkig land is, een experiment van buitenlanders dat maar beter in drie delen kan worden gesplitst, zodat de mensen in vrede kunnen leven. Bosnië verdient het niet te bestaan”.

De demonstraties van de Bosniaks zijn volgens Dodik een strategie van de Bosniakse politici, die hun eigen positie veilig willen stellen door wijzigingen aan de Dayton overeenkomst aan te brengen en door een sterker centraal bestuur vanuit Sarajevo te organiseren. Fahrudin Radoncic, Bosniak en minister van Veiligheid, wijst op zijn beurt naar het “jarenlange wanbestuur door politici in de kantons, die hun burgers beroven” als oorzaak voor de publieke onvrede.

Florian Bieber, professor en directeur van het centrum voor Zuid-Europese studies van de universiteit van Graz, geeft aan dat “gedurende de afgelopen 18 jaar iedere verandering in Bosnië van buitenaf was opgelegd”. Bieber: “In de eerste jaren was het de High Representative die trachtte met een minimum aan opgelegde staatshervormingen – zoals die in de Dayton overeenkomst waren geformuleerd – de macht van de tegenwerkende elite in te perken. Daarna probeerde de High Representative de staatkundige activiteiten uit te breiden tot een minimaal functioneel niveau en soms iets verder.”

De afgelopen jaren waren het de VS en de EU-bemiddelaars die met verschillende instrumenten geprobeerd hebben de grondwet te hervormen. Voorbeelden hiervan zijn een pakket maatregelen in april 2006 en de Butmir onderhandelingen, een paar jaar later. De meest recente inspanningen komen van de Duitse regering en de Europese commissaris voor Uitbreiding Stefan Füle die onderhandeld hebben over de implementatie van een nieuwe wetgeving voor mensenrechten. Professor Bieber: “Ondanks de goede bedoelingen zijn de inspanningen van de afgelopen tien jaar om de constitutionele structuur van Bosnië te veranderen, hopeloos mislukt. Uitzondering zijn de maatregelen uit 2006 en sommige andere die bijna succesvol waren, maar in zijn totaliteit zijn de afgelopen tien jaar een verloren decennium.”

Hervormingen mislukten keer op keer. De organisatie van goed bestuur door politici die langs etnische lijnen de verdeel-en-heers tactiek hebben toegepast, faalde helemaal. Dit ligt allemaal mee aan de grondslag van de rellen in het Balkanland. Bieber: “Het land heeft zich sinds het einde van de oorlog in geen enkel opzicht kunnen ontwikkelen.”

Verandering

Valery Perry van de Public International Law and Policy Group woont sinds 1999 in Sarajevo. Zij benadert de recente ontwikkelingen sceptisch: “Het is mij niet duidelijk of de woede-uitbarstingen in Sarajevo en heel Bosnië-Herzegovina nu echt spontaan waren, of dat er toch sprake is van een katalysator en organisator achter de schermen.” Perry wijst op de vreedzame protesten van afgelopen juni, waarbij gezinnen hun kinderen in het gras voor het parlementsgebouw lieten spelen, terwijl de volwassenen de standpunten van activisten bediscussieerden. “De rellen in Sarajevo lieten een opvallend groot aantal jonge mannen met gemaskeerde gezichten zien, die hun agressieve demonstratie onderbraken om kiosken te plunderen”, zegt Perry.

Wel duidelijk is de toch al grote en almaar groeiende onvrede over een politiek systeem dat niet werkt. Volgens Perry hebben de afgelopen achttien jaar het bewijs geleverd dat het constitutionele en electorale systeem dat de oorlog in Bosnië moest beëindigen, vooral gewerkt heeft voor de door nepotisme geleide politieke elite. “Maar de rest van het land, de overweldigende meerderheid van alle etniciteiten, is tekort gedaan”, zegt Perry. Enquêtes uit 2013 laten zien dat er onder de bevolking wel degelijk een bereidheid is tot hervormingen. Perry: ”Zowel Bosniaks, Kroaten als Serviërs willen constitutionele hervormingen en wel op basis van echte onderwerpen en belangen om op die manier de wurggreep van de partijen die de politiek en economie domineren, te doorbreken.”

Politieke elite

Constitutionele hervormingen zijn dus gewenst. Maar Perry betoogt dat deze niet moeten worden doorgevoerd door dezelfde partij-elite of achter gesloten deuren: “De uitkomsten zouden geen democratische legitimiteit hebben, terwijl dat juist nodig is om het land verder te brengen.” Perry pleit dan ook voor meer betrokkenheid van burgers bij hervormingsprocessen. Soeren Keil, docent Internationale Betrekkingen van de Canterbury Universiteit, voegt hier nog aan toe, dat het maar zeer de vraag is of de Bosnische bevolking ook staat te wachten op de inmenging van buitenstaanders zoals de EU.

Keil: “Anders dan in Oekraïne zwaaien de mensen in Bosnië niet met EU vlaggen. Ze zijn zich er ook van bewust dat de EU mede verantwoordelijk is voor de situatie waarin Bosnië verkeert, ook voor de politieke impasse. Hoewel de mensen niet tegen de EU zijn, staan ze ook niet te trappelen om inmenging van buitenaf. Ze willen vooral dat hun politieke leiders het veld ruimen”.

Ook Florian Bieber erkent dat de politieke elite in de ogen van de burgers in diskrediet is geraakt: “Niet enkel de protesten van de laatste tijd laten dit zien, maar ook opiniepeilingen die de afgelopen jaren zijn gehouden. Toch weigeren politici een compromis te vinden voor hun geschillen, waardoor het land stuurloos is geworden.” Volgens Bieber was het juist ook de buitenlandse inmenging die heeft bijgedragen tot de huidige stand van zaken. Internationale mediators zouden zich in hun contacten steevast op de leiders van de grootste partijen hebben gericht, waardoor die onmisbaar zijn geworden.

“Maar tegelijkertijd hebben ze niet gepresteerd”, zegt Bieber. De heersende partijen ontlenen hun bestaansrecht aan de onderhandelingen en het gegeven dat zij de legitieme vertegenwoordigers van een bepaalde gemeenschap zijn: “Toch zijn ze niet bereid geweest om een compromis te sluiten dat betekenisvol is voor het land of de burgers.”

Volgens Paddy Ashdown, de meest succesvolle High Representative tot nu toe, moet de Europese Unie zich veel meer moeite getroosten om van Bosnië een functionerende staat te maken, omdat verdere segregatie in dit verkiezingsjaar de situatie er heel snel kan laten ontvlammen. Samen met de parlementaire verkiezingen in oktober van dit jaar worden namelijk ook voor het eerst sinds het uitbreken van de oorlog de resultaten van een volkstelling bekend gemaakt. Het resultaat daarvan kan nog meer existentiële angst over de toekomst van Bosnië-Herzegovina opleveren.

Status quo

De heersende politieke elite heeft normaliter geen prikkels om naar verandering te streven. Perry bepleit dan ook dat de VS en de EU als externe partijen een belangrijke rol in het veranderingsproces moeten spelen. “Maar niet door het verandertraject in te stappen met de politieke elite, maar door een solide omgeving te scheppen, waarin een democratisch proces kan gedijen”, zegt Perry. Ze doelt daarbij op de financiële en politieke voorwaarden, waarbij de hulp van buitenaf afhankelijk wordt gemaakt van het betrekken van burgers in het besluitvormingsproces.

Ook de Oostenrijkse diplomaat met Sloveense roots Wolfgang Petritsch onderschrijft deze aanpak. Hij stelt voor om het falende politieke bestel van Bosnië – voor nog geen vier miljoen inwoners 140 ‘ministers’, 800 ‘parlementariërs’, een budget dat voor bijna de helft naar bureaucratie gaat – via een soort Marshallplanachtige opzet te vervangen door een werkend politiek systeem.

Ook Ed Joseph, voormalig hoofd van de OSCE missie in Kosovo, denkt dat betrokkenheid van zowel de VS als de Europese Unie noodzakelijk is om het falende beleid van de afgelopen jaren te vervangen. Hij onderstreept daarbij de noodzaak om nu te handelen, omdat de heersende elite zwak is en omdat de internationale gemeenschap door de spanningen in Bosnië-Herzegovina gedwongen is om op te treden.

“Een pauze in de protesten kan voor de internationale gemeenschap een welkom excuus zijn om niet in te grijpen en terug te vallen op credo’s als luisteren naar de burgers, terwijl ze ondertussen niets doet”, zegt Joseph. Anders dan Perry ziet hij echter niets in het betrekken van burgers. Joseph: “In mijn ervaring zien de meeste Bosniërs Kosovo en Servië als een relevant vergelijk voor hun situatie”. Net als Bosnië is Kosovo fysiek en politiek verdeeld. De heersende politici staan niet bekend om hun integriteit, de economie is zwak en de werkloosheid is hoog. De voormalige Joegoslavische provincie wordt zelfs niet door alle EU-lidstaten erkend.

“Toch hebben Kosovaren de EU in het vooruitzicht”, zegt Joseph, “dankzij een gewaagde aanpak van de VS en de EU die zijn oorsprong vindt in 2011, ook als antwoord op een serieuze crisis”. Feit is dat in zowel Servië als Kosovo een sterke consensus heerst over de wil om zich bij de EU te voegen. Joseph: “En naarmate de toenadering tot de EU vordert, zullen de burgers van beide landen ook profiteren van hulp en hervormingen, waardoor ze zich ook steeds meer betrokken zullen voelen bij de besluitvorming in hun land”.

Opmerkelijk daarbij is dat er vrijwel geen sprake was van het betrekken van burgerinitiatieven in het door de EU geleide Kosovo-Servië proces dat aan de basis van de huidige doorbraak ligt. Niet alleen werden burgers niet bevraagd, Belgrado nam zelfs beslissingen zonder ze te finetunen met de leiders van het door Servië gedomineerde deel van Kosovo. Jospeh: “Niet de meest democratische aanpak, maar het resultaat telt.”

maandag 17 maart 2014 12:49

Geweld in Centraal-Afrikaanse Republiek

    car

    Francis Banda: De situatie in CAR is gewelddadiger en gecompliceerder dan ooit. Christenen en moslims staan lijnrecht tegenover elkaar. De aanleiding van de conflicten lijkt de bevolking al enige tijd uit het oog verloren te zijn. Sinds zijn onafhankelijkheid in 1960, is CAR slachtoffer van slecht bestuur en kwamen presidenten steeds aan de macht door staatsgrepen of frauduleuze verkiezingen. Een stabiele politieke situatie is er dus nooit geweest, en daar betaalt de bevolking nu de prijs van. Voormalig president François Bozizé voerde van 2003 tot 2013 een corrupt beleid in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Hij zorgde er resoluut voor dat familieleden belangrijke posten bekleedden in de regering, zodat hij intern geen tegenwind kreeg. De vele anti-regeringsopstanden drukte hij met harde hand de kop in, tot in 2013, wanneer de Islamitische rebellengroep Séléka met een staatsgreep de bovenhand kon nemen. Niet lang nadien nam de groepering de hoofdstad Bangui in, en benoemde de moslim Michel Djotodia tot nieuwe president. Djotodia bleek weinig invloed te hebben op de rebellen van Séléka, die overgingen tot plunderingen en andere criminele activiteiten. De rebellen, die zelf uit het extreem arme noorden kwamen, hadden het vooral gemunt op de christelijke meerderheid in het zuiden van CAR. Zo ontaarde het conflict in een op het eerste zicht religieuze strijd.

    Een echte religieuze oorlog is het conflict dus niet. Christenen en moslims hebben namelijk jarenlang in vrede samengeleefd. Hoewel de twee religieuze groepen wel tegen elkaar strijden, gaat het vooral om een botsing tussen het arme noorden -vertegenwoordigd door de islamitische rebellengroep- en het iets minder arme zuiden van het land waar vooral christenen wonen. Het noorden werd jarenlang achteruit gesteld in het beleid van Bozizé, tot grote ontevredenheid van de bevolking. Deze misnoegdheid kon Séléka uitbuiten om strijders te rekruteren. Om zichzelf en hun dorpen te verdedigen, organiseerden de christenen milities, genaamd Anti-Balaka, tegen de rebellengroepen. Met alle gevolgen van dien, want wanneer de milities eind vorig jaar Bangui binnenvielen om de rebellen te verdrijven, kwam de burgeroorlog in een extreem bloedige en wraakzuchtige neerwaartse spiraal. Ondertussen konden de christelijke gevechtsgroepen Séléka en president Djotodia verdrijven, en is voormalig burgemeester van Bangui, Catherine Samba-Panza, aangesteld als president ad interim.

    De Centraal-Afrikaanse Republiek was vroeger een kolonie van Frankrijk, maar de twee landen hebben nog steeds nauwe banden met elkaar. CAR maakt deel uit van het zogenaamde “Françafrique” wat wil zeggen dat ze op bepaalde hoogte nog afhankelijk zijn van elkaar. Hun munteneenheden zijn bijvoorbeeld aan elkaar vastgeklonken. Als Frankrijk intervenieert in Afrika is dat om te overleven als wereldmacht. Het einde van de Françafrique zou een groot nadeel zijn voor Frankrijk, aangezien de Afrikaanse bodems vol grondstoffen zitten. CAR is bijvoorbeeld rijk aan hout, landbouwgrond, water, olie en grondstoffen zoals diamant en uranium. In de Centraal-Afrikaanse Republiek is westerse hulp zoals die van Frankrijk erg welkom. De bevolking heeft namelijk heel weinig vertrouwen in de buurlanden. Buurlanden willen wraak nemen en zijn ook bezig met religieuze conflicten. De geloofwaardigheid van westerse troepen zoals die van Frankrijk is groter, ze hebben er meer vertrouwen in. De Franse troepen vechten niet. Ze gebruiken geen geweld. Ze zijn er als humanitaire hulp en om de vrede te bewaren. Ze bewaken bijvoorbeeld vluchtelingenkampen.

    Dat is misschien wel het moeilijkste punt in heel de CAR-problematiek. Moslims en christenen, noord en zuid, alle burgers zijn momenteel verzeild geraakt in wraakzuchtige opstand tegen elkaar. De bevolking is een speelbal van de corrupte politiek en de regering, die hen tegen elkaar opzette om zelf macht te kunnen verkrijgen. Er is geen goed en slecht in deze oorlog tussen christenen en moslims. Beide bevolkingsgroepen zijn gelijkwaardig, maken dezelfde fouten en strijden eigenlijk voor hetzelfde doel. Maar het “slechte” staat bovenaan, het is de regering.

    donderdag 13 maart 2014 08:58

    Europese strijders in Syrië

    jihadisten

    Petar Blasic: België en Frankrijk zijn er niet gerust op. De ministers van Binnenlandse Zaken maakten onlangs nog bekend dat tussen 1.500 en 2.000 EU burgers naar Syrië zijn afgereisd om daar gewapende strijd te leveren. In juni werd dit aantal nog op 600 geschat. In de nieuwe berekening wordt uitgegaan van 150 Belgen en 400 Fransen. Gevreesd wordt dat deze Syriëgangers bij hun terugkomst zo geradicaliseerd zijn, dat ze terroristische aanslagen zullen plegen. Ook in Nederland bestaat deze vrees, getuige het feit dat de nationale coördinator terrorismebestrijding afgelopen voorjaar het dreigingsniveau verhoogde, een ontwikkeling die nog steeds niet ongedaan is gemaakt.

    De jihadisten zelf zien het anders. Twee Nederlandse Syriëgangers vertellen in een videoboodschap dat ze niet in Syrië zijn om te vechten, maar om hulp te verlenen. De video laat zien (zie verder) hoe ze huisvuil van de straat halen. Hun boodschap is: echte moslims zijn verplicht om in Syrië te komen helpen: “Je moet voor je broeders en zusters hetzelfde wensen als wat je voor jezelf wenst”, zegt Abu Bashir.

    Stevige aanpak

    Ondertussen gaan overal in Europa stemmen op die roepen om een stevigere  aanpak van de ‘Syriëgangers’. En die roep is niet geheel zonder succes. Zo hebben Antwerpen en Vilvoorde in augustus van dit jaar besloten om de uitkeringen van Syriëgangers af te nemen. De formele motivatie hiertoe is dat de voormalig uitkeringsgerechtigden niet meer wonen op het door hun aangegeven adres. Maar tussen de regels door is ook te lezen dat het een manier is om Syriëgangers te straffen en potentiële kandidaten ook meteen te ontmoedigen. Zo stelde de Antwerpse burgemeester Bart de Wever in juni van dit jaar nog in een interview met de VRT: “Het zou onrechtvaardig zijn als deze mensen zouden kunnen profiteren van het sociale stelsel en, bijvoorbeeld, hun werkloosheidsuitkering kunnen gebruiken om hun gevecht in Syrië te financieren”.

    Ook vanuit eigen kring kunnen jihadisten op stevige kritiek rekenen. Jongerenimam Yassin Elforkani en jongerenwerker Ibrahim Wijbenga spreken openlijk hun afkeer uit over Syriëstrijders en waarschuwen tegelijkertijd voor een beperkte, maar groeiende groep geradicaliseerde jongeren die als een soort jihad-hooligans niet alleen virtueel een ramkoers kiezen, maar ook op straat en in moskeeën intimiderend bezig zijn. Volgens een artikel in de Volkskrant lopen kritische moslims daardoor ook zelf steeds vaker risico bedreigd of geïntimideerd te worden door radicale geloofsgenoten.

    Elforkani, die in zijn preken afstand neemt van de Syriëgangers, wordt op straat bespuugd en uitgescholden voor afvallige, hypocriet en verrader. Hij is nooit gerust op een goede afloop wanneer hij naar een debat gaat: “Ik ben altijd blij als ik weer thuis ben. Ik kan de risico’s niet helemaal inschatten. Maar je moet rekening houden met een gek die kan toeslaan.” De salafistische prediker Suhayb Salam, zelf van Syrische afkomst, wordt uitgescholden, omdat hij op YouTube jongeren oproept om de strijd in Syrië te mijden en zich in te zetten voor humanitaire hulpverlening. Wijbenga kreeg een lading bedreigingen na een twistgesprek in de Volkskrant waarin hij Syriëgangers en hun sympathisanten ‘tikkende tijdbommen’ noemde.

    De in Teheran geboren hoogleraar rechtswetenschappen van de universiteit van Leiden Afshin Ellian weet wel raad met jihadisten. In tijdschrift Elsevier concludeert hij dat het contra-radicaliseringsprogramma heeft gefaald, om vervolgens schertsend op te merken dat er bij thuiskomst van jihadisten gelukkig wel een draaiboek klaar ligt. De Telegraaf merkt over dit draaiboek het volgende op: “De geheime dienst AIVD heeft met de NCTV een draaiboek verfijnd waarmee over terugkeerders een onzichtbaar net wordt gedrapeerd van hulpvaardige toezichthouders die assistentie verlenen, en alarm slaan als ze radicale signalen opvangen. Toezicht op terugkeerders is een taak van iedereen: gemeenten, politie, NCTV, uitkeringsinstanties, woningcorporaties, hulpverleners, familieleden.”

    Volgens Ellian zijn het evenwel niet uitkeringsinstanties, gemeentes of hulpverleners die aan zet zijn. “Het gaat niet om slachtoffers van misdrijven. Begrijpt u nog steeds niet wat ze aan het doen zijn in Syrië?”, aldus Ellan. Hij pleit dan ook voor een echt draaiboek voor de nationale veiligheid, dat vorm krijgt door een operationeel team van vertegenwoordigers van de veiligheidsdienst, het Openbaar Ministerie en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. “Dit is nodig, want uiteindelijk vormt Al-Qaida zijn Europese leger.”

    Idealisten

    De vraag is nu hoe groot de kans op terreur plegende geradicaliseerde Jihadisten nu werkelijk is. De grote angst is dat deze mensen bij hun terugkeer uit Syrië aanslagen willen plegen, en dat ze dat dankzij in Syrië opgedane kennis ook makkelijk kunnen. Daar staat tegenover dat dergelijke kennis en vaardigheid ook op andere plekken verkrijgbaar is. Het leger is daar een goed voorbeeld van, maar ook op internet is veel te vinden. Datzelfde internet biedt overigens ook genoeg voedingsbodem om te radicaliseren, waardoor afreizen naar het buitenland niet nodig is.

    Ondanks dat er meer dan een miljard moslims in de wereld zijn, kiest slechts een héél klein deel hiervan voor de gewapende strijd. Toch blijft er een groep overwegend jonge mannen die naar Syrië trekken om daar geloofsgenoten te helpen. Daarbij sluiten ze zich vaak aan bij fundamentalistische groeperingen. Volgens de van oorsprong Iraanse socioloog Farhad Khosrokhavar is het te kort door de bocht om de oorzaak te zoeken in hun moslim-zijn.

    Khosrokhavar heeft het liever over jonge mensen die zich willen inzetten voor een ideaal: “Het jihadisme is helemaal geen ziekte van de islam. Het is geen religieus, maar een sociaal fenomeen. De bekeerlingen zijn dezelfden die zich, enkele decennia geleden, bij extreemlinkse clubs als de RAF zouden hebben aangesloten. Nu worden zij aangetrokken door de status van de islam als godsdienst van de onderdrukten.” Ze zijn hier ook niet uniek in, want jonge Europese mannen – en soms vrouwen - verlaten al decennia, zo niet eeuwen, huis en haard om elders in landen als Colombia, Cuba, Indonesië, Israël of Spanje voor hun idealen te gaan vechten. Na thuiskomst hebben ze nooit aanslagen gepleegd.

    Re-integratie

    Khosrokhavar: “Toch hoor je steeds vaker dat de overheid het staatsburgerschap van deze strijders in den vreemde af moet pakken. En ze terug moet sturen naar hun land.” Maar hun land blijkt in de praktijk bijna altijd in Europa te liggen, of het nu Nederland, Frankrijk of België zelf is. Bovendien, zo vindt Khosrokhavar, nodigt het afpakken van staatsburgerschap uit tot wanhoopsdaden. Heel anders dan Ellian, houdt Khosrokhavar zich ver van populistische uitspraken. Hij pleit er juist voor dat de overheid zorgt voor een goede re-integratie van Syriëgangers, daarmee de uitgangspunten van de NCTV onderschrijvend.

    Wat het gegeven volgens Khosrokhavar ook moeilijk maakt, is dat de islam gezien wordt als een godsdienst van de onderdrukten, wat bekeerlingen aantrekt die extra vroom zijn in de leer en van wie sommigen kans lopen te eindigen als extremist. Khosrokhavar: “Op het gebied van re-integratie gebeurt veel te weinig. Als ik dit allemaal overzie, is het niet verbazingwekkend dat wij af en toe getuige zijn van ontsporingen, terwijl de overheid en de samenleving dan de vermoorde onschuld spelen.”

    usa venezuelajpg

    Xandra Lameiro: When is it considered legitimate to try and overthrow a democratically-elected government? In Washington, the answer has always been simple: when the US government says it is. Not surprisingly, that's not the way Latin American governments generally see it.

    On Sunday, the Mercosur governments (Brazil, Argentina, Uruguay, Paraguay, and Venezuela) released a statement on the past week's demonstrations in Venezuela. They described "the recent violent acts" in Venezuela as "attempts to destabilize the democratic order". They made it abundantly clear where they stood.

    The governments stated:

    their firm commitment to the full observance of democratic institutions and, in this context, [they] reject the criminal actions of violent groups that want to spread intolerance and hatred in the Bolivarian Republic of Venezuela as a political tool.

    We may recall that when much larger demonstrations rocked Brazil last year, there were no statements from Mercosur or neighboring governments. That's not because they didn't love President Dilma Rousseff; it's because these demonstrations did not seek to topple Brazil's democratically-elected government.

    The Obama administration was a bit more subtle, but also made it clear where it stood. When Secretary of State John Kerry states that "We are particularly alarmed by reports that the Venezuelan government has arrested or detained scores of anti-government protestors," he is taking a political position. Because there were many protestors who committed crimes: they attacked and injured police with chunks of concrete and Molotov cocktails; they burned cars, trashed and sometimes set fire to government buildings; and committed other acts of violence and vandalism.

    A State Department spokesman was even clearer last week, when he responded to the protests by expressing concern about the government's "weakening of democratic institutions in Venezuela", and said that there was an obligation for "government institutions [to] respond effectively to the legitimate economic and social needs of its citizens". He was joining the opposition's efforts to de-legitimize the government, a vital part of any "regime change" strategy.

    Of course we all know who the US government supports in Venezuela. They don't really try to hide it: there's $5m in the 2014 US federal budget for funding opposition activities inside Venezuela, and this is almost certainly the tip of the iceberg – adding to the hundreds of millions of dollars of overt support over the past 15 years.

    But what makes these current US statements important, and angers governments in the region, is that they are telling the Venezuelan opposition that Washington is once again backing regime change. Kerry did the same thing in April of last year when Maduro was elected president and opposition presidential candidate Henrique Capriles claimed that the election was stolen. Kerry refused to recognize the election results. Kerry's aggressive, anti-democratic posture brought such a strong rebuke from South American governments that he was forced to reverse course and tacitly recognize the Maduro government. (For those who did not follow these events, there was no doubt about the election results.)

    Kerry's recognition of the election results put an end to the opposition's attempt to de-legitimize the elected government. After Maduro's party won municipal elections by a wide margin in December, the opposition was pretty well defeated. Inflation was running at 56% and there were widespread shortages of consumer goods, yet a solid majority had still voted for the government. Their choice could not be attributed to the personal charisma of Hugo Chávez, who died nearly a year ago; nor was it irrational. Although the past year or so has been rough, the past 11 years – since the government got control over the oil industry – have brought large gains in living standards to the majority of Venezuelans who were previously marginalized and excluded.

    There were plenty of complaints about the government and the economy, but the rich, right-wing politicians who led the opposition did not reflect their values nor inspire their trust.

    Opposition leader Leopoldo López – competing with Capriles for leadership –has portrayed the current demonstrations as something that could force Maduro from office. It was obvious that there was, and remains, no peaceful way that this could happen. As University of Georgia professor David Smilde has argued, the government has everything to lose from violence in the demonstrations, and the opposition has something to gain.

    By the past weekend Capriles, who was initially wary of a potentially violent "regime change" strategy – was apparently down with program. According to Bloomberg News, he accused the government of "infiltrating the peaceful protests "to convert them into centers of violence and suppression".

    Meanwhile, López is taunting Maduro on Twitter after the government made the mistake of threatening to arrest him: "Don't you have the guts to arrest me?" he tweeted on 14 February.

    Hopefully the government will not take the bait. US support for regime change undoubtedly inflames the situation, since Washington has so much influence within the opposition and, of course, in the hemispheric media.

    It took a long time for the opposition to accept the results of democratic elections in Venezuela. They tried a military coup, backed by the US in 2002; when that failed they tried to topple the government with an oil strike. They lost an attempt to recall the president in 2004 and cried foul; then they boycotted National Assembly elections for no reason the following year. The failed attempt to de-legitimize last April's presidential election was a return to this dark but not-so-distant past. It remains to be seen how far they will go this time to win by other means what they have not been able to win at the ballot box, and how long they will have Washington's support for regime change in Venezuela.

    vrijdag 21 februari 2014 09:24

    Violance in Venezuela

    venezuela

    Xandra Lameiro: Major Venezuelan cities were racked by fire, teargas and volleys of rubber bullets as anti-government protests escalated after the arrest of opposition figurehead, Leopoldo López. National guard tanks, troops and armed supporters on motorbikes moved into districts of Caracas on the orders of President Nicolás Maduro, who vowed to quell what he called a "coup" instigated by López and supported by the United States, which denies any involvement. Both sides blamed the other for the worsening unrest, which follows four deaths and dozens of injuries last week. The centre of Valencia – a northern industrial city in Carabobo state – was filled with flames as demonstrators blocked the streets. This followed a shooting attack on a demonstration the previous day that killed 22-year-old beauty queen Génesis Carmona ad injured eight others.

    Mendoza and another local official said the attack was retribution by government supporters for an earlier arson and shooting attack on the house of the ruling party governor. "This wasn't opposition protesters. This wasn't students. This was a provocation by people with training. It was a response by the people who guard the house of the PSUV party that was shot at," Mendoza said. The state governor, Francisco Ameliach, denied involvement and said the protesters were being used to stir up unrest. "What is happening is a coup," said Ameliach. "They have used our young as a detonator." Elsewhere the national guard were more assertive than they have previously been in the demonstrations, which are in their second week. 

    Daniel Ceballos, the opposition mayor of San Cristobal, said students were dispersed when they tried to protest peacefully. "I heard the commander calling the protesters terrorists and giving the order to trap the students. This is the face of a government that represses", he said. Maduro accused Ceballos of being backed by foreign insurgents. The president said the San Cristobal mayor received training in Mexico and brought paramilitaries across the border from Colombia.

    The chaos followed the detention of López, who came out of hiding on Tuesday and handed himself in to the police after negotiating terms with the head of parliament, Diosdado Cabello. López had been expected to appear before a judge on Wednesday morning to face charges of terrorism and murder but his preliminary hearing was delayed amid growing turmoil on the streets. Earlier in the day state television said a woman in Caracas died after an ambulance taking her to hospital was blocked by opposition protesters. In the Altavista area of Puerto Ordaz, in Bolivar state, where student demonstrators had set up camp for several days, witnesses said national guard troops fired rubber bullets and teargas to break up the gathering and stood by as about 60 plainclothes government supporters on motorbikes shot at students. A Catholic priest and campaigner was wounded during a protest in the western city of Maracaibo, Venezuela's second-largest city, when the national guard tried to disperse an opposition rally using teargas and rubber bullets. The condition of José Palmar, a vocal anti-government activist, was unclear.

    Maduro – who has led his party to two election victories since replacing Hugo Chávez – has blamed López for stirring up violence in the oil-rich nation. The Harvard-educated opposition radical now faces charges of intentional double homicide, terrorism, damage to public property and sedition. López makes no secret of his desire to unseat Maduro through public demonstrations. He and other radicals in the opposition have launched a campaign known as La Salida (The Exit). Last week he called on Venezuelans to take to the streets to protest against the recent imprisonment of students. The demonstrations swelled to include thousands of people showing their discontent over soaring crime rates and the world's highest level of inflation: 56%. López denies responsibility for the violence that has followed, although the government implicates him in two deaths last week. The killings took place long after he left the area and videos and photographs suggest the gunman was on the government side of the protest line. The authorities insist, however, that López is to blame.

    Far from hurting his reputation, the accusations appear to have strengthened support for López's radical approach in an opposition movement led by Henrique Capriles. After López's detention on Tuesday hundreds of thousands of protesters clad in white took to Caracas's main thoroughfare, blocking the vehicle in which López was being transported.

    Analysts say the government camp was likely to benefit from a more entrenched political battle because it had the bigger base of support – as shown in elections. It would make sense for the government if López was the figurehead of opposition. It has long been government strategy to polarise, to create a sense of them and us, because they have the numbers. Analysts also warn that the situation could change if the violence intensified or the economy slipped further into crisis.IIn that case whoever is head of the opposition will be in a very strong position, they claim.

    Pagina 1 van 21

    contact

    Reacties en inzendingen
    ex Ponto is een uitgave van On File, Associatie van vluchtelingjournalisten en schrijvers
    ex Ponto is mede mogelijk gemaakt door:
    Logo_Ministerie_OCW Logo_Democratie_en_Media Logo_StimuleringsFonds_voordePers
     

    Colofon

    ex Ponto

    is een journalistiek magazine dat op internet verschijnt. Het merendeel van de artikelen wordt door vluchteling-journalisten en andere migranten geschreven. Met Nederlandse journalisten als gast.

     


    ovidiusex Ponto

    In 8 na Chr. verbant de Romeinse keizer Augustus de dichter Ovidius naar het verre Tomi (het huidige Constança in Roemenië) aan de Zwarte Zee, in de provincie Pontus. Ovidius schrijft daar zijn bekende Epistulae ex Ponto (Brieven uit de Zwarte Zee). Deze bundel bevat poëtische verzoekschriften die hij naar vrienden en invloedrijke Romeinen schreef om voor hem bij de keizer te bemiddelen om in zijn lotsbestemming te herzien. Ex Ponto is in de geschiedenis door verschillende schrijvers gebruikt als metafoor voor ballingschap.