Sat10252014

Last update09:39:36 AM GMT

Back Home Buitenland
woensdag 01 oktober 2014 09:53

Het ware gezicht van Oekraïne

Oekraine

Petar Blasic: In de Oekraïense regering hebben extreemrechtse politici cruciale posten in handen, zoals die van vice-premier en minister van Defensie. Wat zijn dit voor mensen, en hoe ver reikt de invloed van het neofascisme in Oekraïne?

Volgens de Russische president Vladimir Poetin was de invasie van de Krim noodzakelijk om de etnische Russen daar te beschermen tegen de ‘nazistische en antisemitische Oekraïners’. Westerse regeringen op hun beurt verwijten Poetin – zelf ook niet vies van contacten met extreemrechts – juist voorwendselen te verzinnen voor het binnenvallen van Oekraïne. Hoewel Poetin daar ongetwijfeld minder altruïstische motieven voor had dan hij de buitenwereld wil doen geloven, is het een feit dat een aanzienlijk deel van de regering in Kiev – en van de demonstranten die haar aan de macht brachten – inderdaad onder fascistische invloed staat.

Een duidelijk bewijs hiervan is de opkomst van Svoboda, een van de meest invloedrijke extreemrechtse bewegingen van nu. Representanten van de partij staan bekend om hun afkeer van kleurlingen en homoseksuelen. Ook joden moeten het regelmatig ontgelden, hetgeen al resulteerde in een oproep van het Joods Wereldcongres aan de EU om Svoboda – net als de Griekse Gouden Dageraad en het Vlaams Belang – te verbieden, omdat de beweging een gevaar zou vormen voor de veiligheid van joden in Oekraïne. Een van de eerste acties van de nieuwe regering, waar Svoboda deel van uitmaakt, bestond uit het uitroepen van het Oekraïens tot enige formele taal van het land, wat nogal tegen het zere been van de Russische minderheid was. Daarna probeerden de nieuwe machthebbers een bestaande wet ongedaan te maken die het verbiedt de misdaden van het fascisme te bagatelliseren.

Wolf in schaapskleren
Svoboda werd midden jaren negentig opgericht onder de toenmalige naam Sociaal-Nationale Partij. Geheel in lijn met het nazi-erfgoed bedient de Sociaal-Nationale partij zich openlijk van fascistische symboliek, in dit geval het Wolfsangel-embleem. Verder doet haar naam denken aan die van de Duitse nazi’s, de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP). Het lidmaatschap was voorbehouden aan etnische Oekraïners. In 2004 gaf de partij zichzelf haar huidige naam, Svoboda, dat ‘Vrijheid’ betekent, en ontdeed zich van al te duidelijke nazi-retoriek. Wel bleef ze neonazistische waarden nastreven.

In de tien jaar die volgden, zag de partij haar electorale aanhang groeien. Na de Majdan-protesten verwierf Svoboda invloed in de allerhoogste kringen. Zo kreeg ze met Oleksandr Sytsj iemand op de positie van vice-premier. De wereld sprak schande van Sytsj’ uitspraken over abortus en over vrouwen die verkrachting zouden uitlokken; hij had gezegd dat ‘vrouwen moeten leven op een manier waardoor ze geen risico lopen op verkrachting, dus bijvoorbeeld geen alcohol drinken of zich in dubieus gezelschap begeven’.

Svoboda kreeg ook de ministeries van Milieu en – van cruciaal belang in Oekraïne – Landbouw. Milieuminister Andrij Mochnyk geldt als de rechterhand van de fractieleider van Svodoba in het Oekraïense parlement, Oleh Tjahnybok. Hij ziet – naast criminele ‘buitenlanders’ – Rusland als het grootste gevaar voor zijn land, omdat ‘Rusland de Oekraïners wil onderdrukken, de rijkdommen wil beheersen en de toenadering tot de EU wil saboteren’. In 2012 zei hij dat de Oekraïners ‘net zo zwaar hadden geleden als de joden’ en dat de Holodomor-genocide, de door het Sovjet-regime gecreëerde hongersnood in de jaren dertig die het leven koste aan 7,7 miljoen mensen, de Oekraïense bevolking ‘bijna geëlimineerd had’.

Joseph Goebbels Politiek Onderzoekscentrum
Landbouwminister Ihor Sjvajka deed vooral van zich spreken in zijn voortrekkersrol in de strijd tegen schaliegas. Privé kwam hij in 2013 in een kwaad daglicht te staan toen een van zijn ex-vrouwen – hij is drie keer getrouwd geweest – hem ervan beschuldigde hun kind te hebben ontvoerd. Sjvajka bracht het kind later dat jaar weer terug bij zijn ex. Met oud-admiraal Ihor Tenjoech had Svoboda een ervaren rot als minister van Defensie, totdat hij op 25 maart opstapte vanwege zijn besluiteloosheid rond de annexatie van de Krim. Svoboda-lid Oleh Machnitski was tot zijn aftreden in juli procureur-generaal. Nu wordt die positie bekleed door Vitali Jarema van de Batkivsjtsjyna- oftewel Vaderlandspartij van Joelia Timosjenko, die als centrumrechts te bestempelen is.

Hoewel de partij tegenwoordig haar nazi-ideologie probeert te verdoezelen, is die nog steeds alom aanwezig. Zo is het parlementslid Joeri Michailisjyn de oprichter van het Joseph Goebbels Politiek Onderzoekscentrum. De Holocaust noemde hij een ‘heldere periode’ in de geschiedenis van de mensheid.

Volgens de Zweeds-Amerikaanse Oekraïne-expert Pers Anders Rudling, hoogleraar aan de Lunds universitet, zijn er ook nog regeringsposten die niet rechtstreeks in handen zijn van Svoboda, maar wel binnen haar invloedsfeer vallen. Rudling doelt daarbij onder meer op posten die in handen zijn van de Vaderlandspartij. Een daarvan is die van Arseni Jatsenjoek, de minister-president. Jatsenjoek is bankier en zeer westers georiënteerd. Hij is niet openlijk fascistisch, al ontkent hij wel stelselmatig het gerucht dat hij joodse wortels zou hebben, mogelijk vanwege de antisemitische sentimenten binnen zijn partij.

Ook Andrij Paroebij is van de Vaderlandspartij. Hij was tot zijn terugtreden begin augustus de secretaris van de Nationale Veiligheids- en Defensieraad, waaronder onder meer het leger, de politie, de rechtbanken en de inlichtingendienst vallen. Paroebij maakte naam als veiligheidschef tijdens de Majdan-protesten in Kiev, maar was ook al bekend als mede-oprichter van de fascistische Sociaal-Nationale Partij. Later werd hij lid van de Vaderlandspartij, maar bleef het extreemrechtse gedachtegoed aanhangen.

De kleinere, nog extremere Pravi Sektor (Rechtse Sector), een groep ultranationalistische straatvechters, was eerder ook nog even in beeld om in de persoon van haar voorman Dmitro Jarosj de plaatsvervangende voorzitter van de Nationale Veiligheids- en Defensieraad te leveren. Jarosj, die eerder nog opschepte dat zijn beweging klaar zou zijn om Oekraïne gewapenderhand te bevrijden, sloeg dit aanbod evenwel af, omdat het ‘onder zijn niveau’ zou zijn. Jarosj steekt zijn nazistische ideeën niet onder stoelen of banken. In een BBC-interview zei hij: “Nationaal-socialistische ideeën zijn hier populair. We willen een zuiver volk, niet zoals onder Hitler, maar wel een beetje zo.”

Binnen Pravi Sektor zat Jarosj bij de hardcore-nationalisten van de Oekraïense paramilitairen die slag leverden met Russische troepen in Tsjetsjenië en Moldavië. Leden van deze groeperingen paraderen gemaskerd en in uniformen met extreemrechtse symbolen. Hoewel Jarosj in 1989 korte tijd lid was van de gematigd nationalistische Oekraïense Volksbeweging, stapte hij in 2005 over naar de eveneens zeer nationalistische organisatie Trizoeb, waarvan hij de leider werd. Binnen deze organisatie maakte hij zich sterk voor een revolutie.

‘Joden en ander gespuis’
Geen ministerspost in de nieuwe regering – op eigen verzoek – heeft Svodoba-leider Oleh Tjahnybok. Tjahnybok is tevens een van de oprichters van de Sociaal-Nationale Partij. Hij was de man die de partij een gematigder gezicht gaf, om te beginnen door de naamswijziging in 2004, al liet een toespraak van hem in datzelfde jaar zien hoe flinterdun het onderscheid was. Sprekend bij een gedenkteken voor een commandant van het Oekraïense Opstandelingenleger (OePA), dat samen met de nazi’s tienduizenden Polen, joden en communisten heeft afgeslacht, riep hij de Oekraïense burgers op de ‘Moskous-joodse maffia’ te bestrijden. Tjahnybok prees de OePA en de Organisatie van Oekraïense Nationalisten onder leiding van Stepan Bandera, die ‘vochten tegen de Russen, Duitsers, joden en ander gespuis dat onze Oekraïense staat wilde inpikken’. Tijdens de Majdan-protesten was Tjahnybok een van drie prominentste actieleiders en onderhandelde hij rechtstreeks met het Janoekovitsj-regime. Nu is hij een van de machtigste figuren in het land.

De huidige regering in Kiev is een coalitie tussen rechtse en ronduit fascistische krachten, waartussen het verschil vaak moeilijk te maken valt. Bovendien hebben de fascistische krachten, zoals de Svoboda-partij, cruciale posten als Defensie in handen. Inmiddels hebben verschillende partijleden hun functie neergelegd, mede vanwege de annexatie van de Krim en de schermutselingen in het oosten van het land. Maar Svoboda blijft populair, en de partij kan naar verwachting bij de parlementsverkiezingen van 26 oktober op een goede uitslag rekenen.

Daar komt bij dat het niet enkel om Svoboda draait. De steun voor de fascisten van onder meer Pravi Sektor neemt toe, en onder het anti-Russische volksdeel is er veel sympathie voor de erfenis van Stepan Bandera en de OePA.

Eind oktober moet duidelijk worden hoe groot de politieke kracht van neofascisme in Oekraïne wordt. Als er een duidelijk neofascistische nieuwe regering aantreedt, zullen Europa en de Verenigde Staten zich moeten beraden op de vraag of ze nog wel met Kiev wil optrekken in de gemeenschappelijke strijd tegen Poetin.

woensdag 24 september 2014 18:24

Blijf Oeganda wijzen op homorechten

 

 

 

uganda

Ook gewone Nederlanders kunnen iets doen tegen de wrede Oegandese homowetten, meent de Oegandese journalist en vluchteling Peterson S. Ssendi.

 

Zeker drie procent van alle mensen zijn homoseksueel. Zo werden zij geboren en zo zullen ze hun leven lang zijn. Toch is er nog een aantal landen waarin homoseksualiteit bij wet is verboden of waar homoseksuelen kans lopen de doodstraf te krijgen. Die landen liggen vrijwel allemaal in de Arabische wereld of in Afrika. Zo zijn in mijn land, in Oeganda, de laatste vijftien jaar een aantal harde wetten ingevoerd die het leven van de homoseksuelen erg moeilijk maken. Het gaat voor alle duidelijkheid niet om een verbod op homohuwelijk of gay parade. Het gaat om het vervolgen, opsluiten of doden van mannen en vrouwen omdat zij mogelijkerwijs tot de 900 duizend homo’s of lesbiennes van Oeganda behoren. Overigens, regelmatig vaak komt het niet tot een vervolging omdat de politie wegkijkt wanneer buurtbewoners een ‘verdachte’ lynchen.

De invoering van de zogenaamde ‘Kill the Gays Bills’ is het gevolg van jarenlang haat zaaien door een groep fundamentalistische Amerikaanse christenen. Sinds de jaren ’90 vertellen zij de Oegandese bevolking dat je geen christen kunt zijn en tegelijkertijd homo en dat je als christen homoseksualiteit niet kunt toestaan. Zelfs de machtige Rooms-Katholieke kerk in Oeganda onderschrijft deze wrede anti-homowetten en ontslaat priesters die homoseksuelen in bescherming nemen. Daarmee handelt de kerk haaks op de officiële die ‘elke schending van de mensenrechten van homoseksuelen’ verwerpt.

De homofobie is inmiddels zo ernstig en wijdverspreid dat geen enkele Oegandese politicus het nog waagt er tegenin te gaan. Wie dat wel doet, delft namelijk zijn politieke graf, en loopt bovendien grote kans zelf van homoseksualiteit te worden beschuldigd. Ook president Yuweri Museveni van Oeganda weet maar al te goed dat homoseksualiteit aangeboren is en dat je zowel homo als christen kunt zijn. Maar omdat Museveni in 2016 opnieuw de verkiezingen wil winnen, trekt ook hij fel van leer tegen homoseksuelen en ondertekende vorig jaar de omstreden wetgeving.

Wie een verschil zouden kunnen maken, zijn wij, journalisten. Ik probeerde jarenlang aandacht te vragen voor de vervolging van homo’s en lesbiennes in mijn land. Dat kon niet bij het radiostation waar ik werkte. Want, zo luidt de redenering, wie aandacht vraagt voor het lot van homo’s is bezig om mensen aan te zetten tot homoseksuele activiteiten. Daarop startte ik met een website waarop ik probeerde om de angst, de vervolgingen, de martelingen en het in brand steken van homoseksuelen in Oeganda bekend te maken.

Vervolgens werd ik bedreigd en moest ik vrezen voor mijn leven en dat van mijn gezin. Nu ben ik erkend vluchteling in Nederland, terwijl mijn vrouw en kinderen nog in Oeganda zitten. Ik voel me verdrietig en machteloos, omdat ik hier veel minder kan betekenen dan in Oeganda. Maar er is één ding dat ik in Nederland wel kan doen. En dat is Nederlanders wijzen op wat er in mijn land gebeurt. Want samen met andere Westerse landen kan Nederland wél iets betekenen voor homo’s in Oeganda. Nederland geeft jaarlijks 23 miljoen euro ontwikkelingshulp aan mijn land, er zit een Nederlandse ambassade in de hoofdstad Kampala en er werken veel Nederlandse bedrijven in mijn land. Zij kunnen druk uitoefenen.

Dat internationale druk werkt, bleek afgelopen maand. Tot ieders verrassing werd de gewraakte ‘Kill the Gays Bill’ plotseling onderuit gehaald door het Oegandese constitutionele hof. De reden die de hoogste rechters aanvoerden, was tamelijk onnozel. Er zouden technische fouten zijn gemaakt in het aannemen van de wet door het parlement. Al snel bleek dat er iets heel anders achter stak. Zo waren een aantal landen, waaronder Nederland, bezig om een deel van hun ontwikkelingshulp aan Oeganda te bevriezen. En er bestond een goede kans dat president Museveni niet zou worden uitgenodigd in het Witte Huis bij een groot diner van president Obama met alle Afrikaanse leiders. Minder geld en een geknakt prestige, dát gaf de doorslag.

Op dit moment is de wrede wet van de baan. Maar opgejut door de fundamentalistische christenen, is het parlement alweer bezig hem opnieuw in te voeren. Omdat in Oeganda zelf elke oppositie tegen de wet ontbreekt, moeten we het opnieuw hebben van u, beste Nederlanders. Alstublieft, vertel uw Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp om druk uit te blijven oefenen op mijn president en mijn regering. Want ook in Oeganda verdienen homo’s en lesbiennes het om in vrijheid en veiligheid te leven.

 

Bhutan

 

Nanda Gautam: Compassionate Buddhists, raping minors in Bhutan has been growing wildly. Rape, which was once one of the government’s tools to execute forcible exile in order to reduce the Hindu minority population, has grown up as a serious social problem in the Buddhist communities where addicted rapists continued their recur. 

 

Counting only the reported cases, 13 minors were raped in the first 5 months of 2014. Over the last 12 months 35 minors were raped. This means more than 3 minor are raped every month. The actual number of the rape cases against the minors must be quite higher than this because most the crime is concealed both by the government machinery and the victims themselves. If the rape of minors is already so rampant, considering the unusual and merciless acts against innocent little children, raping adult girls must be going on wildly in Bhutan for many years.

 

More astonishing behind the act of raping minors is the fact that the rapist are mostly the ones closely related to the victims. The perpetrators are mostly the victim’s fathers, uncles, step-fathers and guardians, in-laws and the government officials including the state military. Such incidents are taking place in the economically disadvantaged families where the perpetrator is responsible for the upbringing of the child. Girls as young as 10 years are being raped and in one reported case, an 11 year old girl gave birth to a premature baby.

 

Looking at the contour of the perpetrators in the Bhutanese communities for this type of heinous crimes, raping the minors- even one’s own daughter, own student and dearly disposed female children, and in contrast to Buddhism, professed as compassionate, its practitioners are those to whom one can never trust. There are laws concerning the rape and sexual abuse, but piled up as the bundle of papers. Unfolding it appears as spitting on their own face, it condemns the highly advertised ‘Gross National Happiness’ as development philosophy. How can society be happy when their weakest section of the population is constantly threatened with such a heinous act and left unprotected?. The government machinery, the media, will ignore this crime -as it did in the past- for this obvious reason, unless coincidently the crime highlights itself as the matter of intolerance to ambiguity rather than by seeking justice or remedial measures.

 

Rape was a clandestine strategy of the government against the minority Lhotshampas in the six Southern districts in early 1990 when the absolute monarchy of that time wanted to design the demographic pattern to enable the elite to maintain their power even after the democratic government would be envisaged. Reporting of rape incidents pertains to state infidelity. As about 20% of the state population, mainly the Lhotshampas were forced out of the country, organised rape being the unbearable trauma that succumbed them with success. It seemed there is no concern what their religion prescribes and how the social norms would treat against the acts of rape.

 

Then, on 25th July 2014 it came to broad attention ’13 minors are raped in five months’, when journalist Tashi Dema of the state owned weekly penned down the dilemma of a student who doesn’t want to go home during the school break. The girl revealed the fact that her father, a military officer, has been sexually assaulting her and her younger sister, over the last eight years.

 

The victims of human rights violation in Bhutan don’t have the chance to ventilate their grievances, nor can they seek legal support freely for justice, as there is no human rights organisations to investigate such crimes. The only non-governmental organisation -called RENEW, whose chief is one of the queens- provides nothing besides the counseling and does not record the yell of the victims in its website. Rape affects not only those victims but also the female members of the family putting them in awkward position.

 

This is one of the reasons that the kingdom of Bhutan, even after a having democratic government since 2008, is being confronted with the highest rate of suicide, mostly among the youth and poor famers, 90% of whom live in the rural villages below the poverty line. Bhutanese Buddhists are proving by their character that they are in fact the most barbaric -and not at all trustworthy- entities of the world. 

9b1bf9c1b68c8168 jpg 1718483346

 

Xandra Lameiro: An sub-attorney of judicial affairs in Mexico recently claimed that the number of disappeared people in Mexico had increased to 23,000 since 2006 and the beginning of the "war" on drugs launched under President Felipe Calderon´s presidency.

Last June, another source from the Interior Ministry had reported that the number of disappeared reached 16,000 people, correcting a previous figure of 8,000 the same office had reported less than a month before.

According to official figures, during the mandate of former President Felipe Calderon (2006-2012), a total of 12,532 people were recorded as disappeared. Current president Enrique Peña Nieto, in less than two years in office has accounted for 9,790 disappeared so far.

Benitez said the reasons for disappearances were many, including voluntary absence, absence because of domestic problems, illegal arrest, and migration. Organized criminal groups also sometimes clandestinely bury their victims.

The number of disappearances especially started to increase since Calderon launched a military offensive against the drug cartels in the country in 2006.

When Calderon left his position in 2012, his administration reported 26,000 disappearances in the country. However Pena Nieto reviewed the statistics of Calderon´s period and lowered the estimation to 8,000. It was a figure that many human rights organizations contested. Amnesty International, among others, criticized the government for keeping the methodology used recording the numbers obscure.

The issue of numbers is not only important in terms of having a true account of the Mexican policy regarding drug trafficking, but it also affects the families of people who have disappeared, as according to Amnesty International and other NGOs, they have been struggling to know the truth. 

bots-bush-pc-b article column

 

A $4.9bn diamond mine will open on September 5 in the Central Kalahari Game Reserve, the ancestral land of Africa’s last hunting Bushmen, exactly ten years after the Botswana government claimed there were “no plans to mine anywhere inside the reserve.”

The Bushmen were told they had to leave the reserve soon after diamonds were discovered in the 1980s, but the Botswana government has repeatedly denied that the illegal and forced evictions of the Kalahari Bushmen – in 1997, 2002 and 2005 – were due to the rich diamond deposits. It justified the Bushmen’s evictions from the land in the name of “conservation”.

In 2000, however, Botswana’s Minister of Minerals, Energy & Water Affairs told a Botswana newspaper, "the relocation of Basarwa (Bushmen) communities from [the Central Kalahari Game Reserve] is to pave way for a proposed Gope Diamond Mine”; and in 2002, the Bushmen told Survival International, the global movement for tribal peoples’ rights, "Foreign Minister General Merafhe went to the reserve and told us we had to be moved because of diamonds.”

The mine opening has also exposed Botswana’s commitment to conservation as window dressing. The government falsely claims that the Bushmen’s presence in the reserve is “incompatible with wildlife conservation,” while allowing a diamond mine and fracking exploration to go ahead on their land.

And while conservation organizations have heralded Botswana President Ian Khama’s conservation efforts, they have remained silent on the persecution of the Bushmen and the mining activities in the Central Kalahari Game Reserve. 

A Bushman whose family was evicted told Survival, “This week President Khama will open a mine in the Central Kalahari Game Reserve. Do those organizations who have been awarding President Khama for his work with the flora and fauna still believe he is a good example to the world? The residents of the  Reserve are not benefitting anything from the mine. The only benefits go to communities living outside the reserve, while our natural resources are being destroyed. We strongly oppose the opening of the mine until the government and Gem Diamonds sit down with us and tell us what we will benefit from the mine. ”

The government continues its relentless push to drive the Bushmen out of the reserve by accusing them of “poaching” because they hunt their food. The Bushmen face arrest, beatings and torture, while fee-paying big game hunters are encouraged. The government has also refused to reopen the Bushmen’s water wells, restricted their free movement into and out of the reserve, and barred their lawyer from entering the country.

Survival’s Director Stephen Corry said today, “When the Bushmen were illegally evicted from their ancestral homelands in the name of ‘conservation’, Survival cried foul play – both we and the Bushmen believed that, in fact, diamond mining was the real motivation for kicking the tribe off their territory. Government and its cronies vigorously denied these accusations, but finally we have been proven correct. Meanwhile, organizations such as Conservation International continue to laud President Khama for his environmental credentials and turns a blind eye to his human rights abuses.”

Pagina 1 van 24

contact

Reacties en inzendingen
ex Ponto is een uitgave van On File, Associatie van vluchtelingjournalisten en schrijvers
ex Ponto is mede mogelijk gemaakt door:
Logo_Ministerie_OCW Logo_Democratie_en_Media Logo_StimuleringsFonds_voordePers
 

Colofon

ex Ponto

is een journalistiek magazine dat op internet verschijnt. Het merendeel van de artikelen wordt door vluchteling-journalisten en andere migranten geschreven. Met Nederlandse journalisten als gast.

 


ovidiusex Ponto

In 8 na Chr. verbant de Romeinse keizer Augustus de dichter Ovidius naar het verre Tomi (het huidige Constança in Roemenië) aan de Zwarte Zee, in de provincie Pontus. Ovidius schrijft daar zijn bekende Epistulae ex Ponto (Brieven uit de Zwarte Zee). Deze bundel bevat poëtische verzoekschriften die hij naar vrienden en invloedrijke Romeinen schreef om voor hem bij de keizer te bemiddelen om in zijn lotsbestemming te herzien. Ex Ponto is in de geschiedenis door verschillende schrijvers gebruikt als metafoor voor ballingschap.