Sat05252013

Last update09:39:36 AM GMT

Layout

Cpanel
Back Home Buitenland
donderdag 25 april 2013 08:13

Boeren in Mozambique verliezen land

 

Francis Banda: Land in Mozambique wordt steeds schaarser, nu er steeds meer door buitenlandse agribusinessbedrijven wordt geleased en boeren worden verdreven. Dat zeggen boerenvakbonden.

 

Land wordt op zeer korte termijn zeer schaars voor Mozambikanen. Dat komt doordat de regering buitenlandse investeerders aantrekt met de argumentatie dat er veel ongebruikt land is.

Officiële cijfers van het Centrum ter Promotie van Investeringen zeggen dat Mozambique zo'n 19 miljoen hectare land heeft dat gebruikt kan worden voor landbouw, bosbouw en veeteelt. Daarvan is slecht 5,6 miljoen nu in gebruik.

"Maar wat er feitelijk gebeurt, is dat investeerders komen die hun honger richten op land dat al door lokale bewoners wordt gebruikt.

Zo'n 64 procent van Mozambikanen leeft op het platteland, waar ze vooral rondkomen van de landbouw. 45 procent leeft van minder dan een dollar per dag. In de afgelopen twee jaar heeft de regering meer dan tien nieuwe agribusiness-ontwikkelingsprojecten goedgekeurd. De grootste is ProSavana, waarin meer dan 10 miljoen hectare land is bestemd voor Braziliaanse en Japanse investeerders. Het bedrijf gaat soja telen voor de export, wat niet bijdraagt aan de eigen voedselzekerheid. Er leven op dit moment duizenden kleine boeren op dit land. De regering ontkent dat kleine boeren hun land kwijtraken.

Er zijn gevallen zoals het project in de provincie Niassa, waar vier hele districten aan Chikweti Forests zijn verhuurd. Chikweti is van een Zweeds investeringsfonds. Duizend kleine boeren die er generaties lang hebben gewoond zijn verdreven.

Volgens de grondwet is de grond van de staat en kan het niet worden verkocht, maar hebben individuen of groepen recht op het gebruik ervan en de winst daaruit. Mensen mogen dat recht aanvragen bij de overheid. Het kan ook worden toegewezen aan gemeenschappen die het meer dan vijf jaar lang bezetten.

Compensatie

Het verhaal gaat van boeren die hun land van enkele hectares in Ruace verloren, toen een Portugees bedrijf 10.000 hectare kocht om soja en zonnebloemen te verbouwen. De boeren werden weggestuurd van hun land, dat ze vaak geërfd hebben. Hun werd nieuw land om op te werken beloofd, plus honderden euro's compensatie. Maar sindsdien hebben de meesten slechts een fractie van eht beloofde geld gekregen en is over het nieuwe land is geen informatie te krijgen.

Het bedrijf ontkent de beschuldigingen en zegt zich voor te bereiden om de beloften in te lossen. Volgens het bedrijf is er geen sprake van landjepik, maar van duurzame samenwerking tussen de gemeenschap en investeerders in de grootschalige landbouw.

Mahomed Valá, van het ministerie van Landbouw, zegt dat de regering op de hoogte is van de klachten. Maar volgens hem kan hij op dit moment niets anders doen dan oproepen tot dialoog. "In principe gaat het erom dat het bedrijf niet alle beloften is nagekomen. Ik heb ze gesproken en geadviseerd om de dialoog te versterken en hun beloften in te lossen."

Het belangrijkste om te doen om conflicten om land te voorkomen, is win-winoplossingen zoeken. Mozambique is arm en heeft dus investeringen nodig om zijn potentieel te vergroten. Maar het moet de landrechten van gemeenschappen ook waarborgen. Win-win betekent daarbij dat het landgebruik wordt geoptimaliseerd. En lokale gemeenschappen moeten compensatie krijgen en worden meegenomen in de investeringscyclus.

astronomie sterrenkunde ruimtevaart nieuws

 Joanna Eede (vertaling: Gerlof van der Werf): Over de blauwige ijsvelden in het noordpoolgebied ploegen kuddes kariboe door de lentesneeuw op weg naar het gebied waar ze traditioneel hun jongen werpen. Al zolang als de Gwich’in, de inheemse bevolking van dit gebied hier wonen, leeft de kariboe in het Yukon territorium in Canada.  ‘De kariboe is alles voor ons’, zegt Norma Kassi, een Gwich’in vrouw. ‘Zij zijn de spil van ons hele bestaan. Al ons voedsel, onze cultuur, onze dansen, onze verbondenheid met het spirituele heeft te maken met de kariboe.’

De meeste inheemse volken zijn al duizenden jaren afhankelijk van hun land. De aarde is het fundament van de identiteit van inheemse volken. De aarde voorziet hen van voedsel en beschutting en is het spirituele middelpunt in hun leven, de rustplaats van hun voorouders en de bron van mythes en herinneringen. Zoals Stefan Mikaelsson, president van het Sámi parlement in Zweden, zegt, ‘Wij zijn het land en het land is ons’. Dit gevoel leeft ook in het Braziliaanse Amazonegebied wanneer Davi Kopenawa, woordvoerder voor de Yanomami het zó onder woorden brengt: ‘De omgeving staat niet los van ons, we leven er in en het leeft in ons’.

Deze eeuwenoude en diepgewortelde onderlinge afhankelijkheid betekent dat van de landbouwkundigen in het Amazonegebied en de ontginners van het ruige gebergte in Bangladesh tot de jagers in Canada en de jager-verzamelaars in Afrika toe, inheemse volken een gedetailleerde en gedegen kennis hebben van hun gebieden. Het jaar na jaar nauwgezet observeren, gemotiveerd door de absolute wil om te overleven, heeft geleid tot een encyclopedische kennis over hun ecosystemen en vernieuwende overlevingsvaardigheden.

Al generaties lang varen de Moken als zeenomaden over de heldere wateren van de Andamanse Zee waardoor zij geraffineerde bekwaamheden op het water ontwikkeld hebben. Ze jagen met harpoenen op roggen, schildpadden en krabben. Een recent onderzoek, uitgevoerd door de Lund Universiteit in Zweden, laat zien dat het gezichtsvermogen van de kinderen van de Moken 50% beter is dan dat van Europese kinderen. Ook het gehoor van de Afrikaanse Hadza in Tanzania is in zo’n gevoelige mate afgestemd dat ze het zachte kwinkeleren kunnen herkennen van de honingvogel, dat hen leidt naar de bijennesten in de takken van de baobab bomen waar ze de honingraten uit halen. En in de Kalahari-woestijn, waar de waterpoelen op de zandbodem opdrogen in tijden van droogte, hebben de Bosjesmannen in het zuiden van Afrika geleerd water ondergronds op te slaan in lege struisvogeleieren en hun dorst te lessen met het sap van de Tsamma meloen.

Deze gedetailleerde en geheimzinnige kennis van inheemse dieren, planten en kruiden is van uiterst belang voor de hedendaagse wereld. Want in feite zouden zonder de gespecialiseerde botanische kennis van vele inheemse volken onmisbare geneeskrachtige stoffen nog onbekend zijn. Men is zelfs van mening dat planten van wezenlijk belang zijn geweest in de ontwikkeling van zo’n 50% van de hedendaagse voorgeschreven geneesmiddelen.  

Zo gebruiken de Yanomami bijvoorbeeld dagelijks zo’n 500 soorten planten als bouwmateriaal, voedsel en medicijnen. Zij verhelpen diarree met het sap van de kattenklauw lianenplant, behandelen ooginfecties met de schors van de hemelboom en gebruiken een gif genaamd curare op de punten van hun pijlen. Curare wordt gebruikt als spierontspanner in de westerse geneeskunde en heeft behandelingen zoals openhartoperaties mogelijk gemaakt. In Noord-Amerika werd de pijnstiller aspirine gefabriceerd uit de schors van de witte wilgenboom dat de Amerikaanse Indianen kookten om hoofdpijn te behandelen.

Zo zou ook veel van ‘s werelds voedsel dat nu een hoofdbestanddeel vormt, nog onontdekt zijn ware het niet dat inheemse stammen vernuftig en waarnemend zijn. ‘De voedselsystemen van inheemse volken die vasthouden aan eeuwenoude culturen en leefpatronen in hun locale ecosysteem leveren ons een schat aan kennis op die bijdraagt aan welzijn en gezondheid, ten voordele van de gehele mensheid,’ stelt de FAO, de wereldlandbouw- en voedselorganisatie van de Verenigde Naties.

Al eeuwenlang gebruiken de Zuid-Amerikaanse indianenstammen voor vele doeleinden het roze gekleurde zaad van de achiote boom, dat een pigment produceert wat bekend staat als annatto. Men gelooft dat de Azteken het toevoegden aan de chocolademelk die door de priesters gedronken werd. Vandaag de dag gebruiken de Tsáchila uit Ecuador het om hun haar rood te verven en de Zo’é uit Brazilië beschilderen hun lichamen er mee. Zuid-Amerikaanse Indianen gebruiken annatto ook voor medicinale doeleinden, als afrodisiacum, om de spijsvertering te bevorderen, als zonnebrand en insectenwerend middel. De ‘curanderos’, oftewel kruidengenezers van het Peruviaanse Amazonegebied persen het sap uit de versgeplukte bladeren en gebruiken het om ooginfecties te genezen.

Het is echter pas de laatste jaren dat annatto, na karamel, nu ’s werelds belangrijkste natuurlijke voedselkleurstof is. Als de zaden worden geplet en in water geweekt dan wordt het een oranjegele of rode pasta die de gele kleur geeft aan Britse Cheddarkaas en Franse Maroilles, de oranje tint aan dressings en popcorn en een heldere gloed aan rode lippenstift.

Het wortelgewas maniok, een houtachtige struik inheems in Zuid-Amerika, is ook door de Zuid-Amerikaanse Indianen ontdekt en bekend geworden en is tegenwoordig een levensnoodzakelijk voedsel over de gehele wereld. Het is een hoofdbestanddeel in de voedselvoorziening van zo’n miljard mensen in meer dan 100 landen. In Afrika alleen al is het voor bijna 80% van de bevolking het hoofdvoedsel. ‘Maniok wordt niet alleen door inheemse mensen gegeten’, zegt Stephen Corry, directeur van Survival International, een internationale organisatie die campagne voert voor de rechten van in stamverband levende volken. ‘Het is een belangrijk voedsel wat al ontelbare levens heeft gespaard. Het is een van de meest waardevolle, maar totaal niet erkende, bijdragen aan de wereldeconomie door de Zuid-Amerikaanse Indianen.’

Ook de aardappel is door die Indianen ontdekt en is het hoofdvoedsel in het dieet van de Aymaran en de Inca’s. De Inca’s introduceerden zelfs de methode van het vriesdrogen van planten waardoor een substantie genaamd chuñu ontstaat, welke wel 10 jaar lang bewaard kan blijven. Toen de Europeanen rond 1500 de aardappel voor het eerst uit Zuid-Amerika mee terug brachten werd deze met argwaan bekeken; men beschouwde hem alleen geschikt als veevoer of om in de tuin te planten als een nieuw exotisch plantje.

Het duurde tot de 18e eeuw voordat de aardappel in de westerse wereld werd geaccepteerd. Tegen de tijd dat de Franse Marie Antoinette een krans van aardappelbloesem in haar kapsel droeg, was de wortelgroente die op de koude hellingen van het Andesgebergte werd verbouwd al geaccepteerd in de Europese hogere kringen. Tegenwoordig is de aardappel voor meer mensen het hoofdvoedsel dan maniok; beide wortelgroenten zullen meer en meer belangrijk worden naargelang het aantal armen in de wereld toeneemt. ‘Aardappelen vormen nu een fundamenteel bestanddeel in het westerse menu waardoor hun oorsprong is vergeten evenals het feit dat het veel langer dan normaal duurde voordat ze werden geaccepteerd in Europa’, zegt Stephen Corry.

De ontdekkingen gedaan door inheemse volken worden echter vaak ondergewaardeerd of genegeerd. Ondanks hun kennis, hun vindingrijkheid, hun aanpassingsmogelijkheden aan hun ecosystemen- om maar een paar opmerkelijke elementen van hun gemeenschappelijke kennis te noemen- worden zelfs nog in de 21e eeuw inheemse volken afgedaan als zijnde ‘onbeschaafd’ vanwege het ontbreken van materiële welvaart of beschouwt men ze als ‘achtergebleven’ vanwege het ontbreken van officiële scholing.

Zulke racistische vooroordelen onderbouwen de mensenrechtenschendingen die inheemse volken al eeuwenlang ondergaan en verschonen op handige wijze de onteigening van hun land ten behoeve van ‘ontwikkelings’projecten, natuurbeschermingsbelangen en een groot aantal andere redenen. Voor de rest van de wereld is het terzijde schuiven van de menselijke begaafdheid die inheemse volken in staat stelt om minuscule veranderingen in het klimaat waar te nemen of verschuivingen van ijskappen of om de terugkeer van de sneeuwgans in de lente of de bloesemtijd van de perzikpalmboom te voorspellen in een tijd van ecologische onzekerheid op zijn zachtst gezegd onattent, in werkelijkheid is het catastrofaal. Want in het bevroren noorden, het groene hart van het tropisch regenwoud en onder de brandende Afrikaanse zon hebben inheemse volken uitzonderlijke geschenken voor de mensheid ontwikkeld. Maniok, de aardappel en annatto zijn daar slechts drie van.


Door Joanna Eede, editorial consultant bij Survival International, de mensenrechtenorganisatie voor inheemse stammen.

www.survivalinternational.nl

 

 

maandag 22 april 2013 19:19

Vrouwelijk ondernemerschap

 

Samantha de Silva: Op Mogadishu’s grootste marktplaats Hamarweyne staan winkeltjes met cosmetica. Jonge Somalische vrouwen verkopen hier zeep, shampoo, lippenstift en eyeliner en kunnen er goed van leven.

Steeds meer Somalische vrouwen zijn zich bewust van hun looks en houden ervan om zich te verzorgen. Jonge vrouwelijke ondernemers hebben die opportuniteit gezien en hebben er hun business van gemaakt. Zij zijn vrouwen die in een traditioneel moslimland die een zaak opzetten en zo de kans grijpen om financieel onafhankelijk en meer mobiel te worden.

Sommigen hebben een opleiding, anderen nauwelijks. Vaak is het zaak om startkapitaal te verkrijgen, dat veelal in de familiaire sfeer wordt gezocht. Maar als dat is gelukt kan met het geld dat verdient word elke dag meer onafhankelijk worden verkregen. Meer dan dat zijn deze vrouwen een inspiratie voor veel andere jonge vrouwen.

Zelfs van opgeleide meisjes in dit land in de Hoorn van Afrika wordt verwacht dat ze zich focussen op de opvoeding van hun kinderen, maar samen met de algemene houding ten aanzien van vrouwen is hun maatschappelijke rol aan het veranderen.  

Tijden veranderen. De mensen worden zich meer bewust van het ondernemerspotentieel van vrouwen en aanvaarden de rol die zij kunnen spelen op het vlak van economie binnen het gezin en voor het land in zijn geheel. Nochtans is voor velen het starten van een eigen zaak geen vrije keuze maar noodzaak om financieel bij te springen door het overlijden of de werkloosheid van een echtgenoot.

Maar hoe zwaar het ook is als werkende ouder, deye vrouwen zijn trots op het feit dat ze financieel onafhankelijk zijn en voor zichzelf en de kinderen een toekomst heb kunnen opbouwen.

De aanwezigheid van vrouwelijke ondernemers is steeds meer merkbaar in Somalië. Vrouwen worden steeds meer zichtbaar als broodwinner en dat doen ze vaak met bijzonder weinig hulp.

Lokale en internationale financiële instellingen zijn nog grotendeels afwezig sinds de val van de regering in 1991, die twee decennia van burgeroorlog inleidde. De paar banken die opnieuw opstartten, zijn niet gespecialiseerd in starterskapitaal.

Als vrouwen een zaak beginnen, is het dank zij de hulp van familie of vrienden of omdat ze het geluk hebben om snel winst te kunnen maken met hun producten.

De Somalische regering waardeert de initiatieven van vrouwen maar kan op dit moment niet in financiële steun voorzien. Zorgen voor een veilige omgeving waar vrouwen hun business kunnen ontplooien, is dan ook een belangrijkste opdracht voor de regering.

De visie en de houding ten aanzien van vrouwen in Somalie is snel aan het veranderen. De verwachting is niet alleen dat steeds meer vrouwen gaan ondernemen maar ook actief zullen worden op academisch en politiek vlak, waardoor het slechts een kwestie van tijd voor vrouwen gelijk worden aan mannen in alle disciplines.

 

By ADIB ABDULMAJID

Wars are easy to start but hard to end, and the hardest is to predict the outcome. Undoubtedly, the situation in Syria has obviously transcended a mere uprising and turned into a massive war between a totalitarian brutal regime willing to burn the entire country in order to stay on the throne, and a number of armed factions fighting against the regime for various objectives. Moreover, the regional and international intervention, directly or indirectly, contributes to the complexity of the issue without any intentions to reduce the violence and end the humanitarian crisis.

According to Moises Naim, author of The End of Power, the crisis in Syria is one of the most complicated issues at the moment. “What do the European economic crisis, the war in Syria and global warming all have in common? Nobody seems to have the power to stop them,” he points out. The various international political powers, the limited authority in the hand of each decision-maker, and the difficulty of reaching compromises between them are factors that contribute to the complexity of the current crisis in Syria.

To compare the Syrian crisis to the global warming dilemma can be deemed an exaggeration, but what is absolute is that a post-war Syria can never be similar to Syria pre-2011.

As the collapse of the Assad regime approaches, the scenery seems open to unlimited expectations. The optimists argue that a disorder is an inevitable destiny in a post-Assad Syria, but it would take mere few years before stability is regained and democracy is established. However, a common believe implies that the instability the ongoing war causes in the neighbouring countries may be massive.

With its fragile social structure, Lebanon is enormously influenced by the developments in Syria. The reaction of pro-Assad Lebanese citizens – including Hezbollah group – after the collapse of the Syrian regime is a source of extreme regional worries, especially with the large military arsenal the group possesses. Moreover, the Iranian reaction toward a change of regime in Syria maybe ‘terrible’, since Assad was always the closest ally to Iran in the Arab world, and its ‘expansionist agenda’ in the region was pretty much dependent on Damascus, which was constantly used as a bridge to supply weapons through to its Lebanese ally, the Hezbollah militia, in order to keep the hot front torrid with Israel –its primary ‘vocal’ enemy.

One of the potential scenarios in Syria is the establishment of an ‘Alawite state’ by the current regime in the western part of the country. The Alawites (Assad’s sect) is estimated with 12% of the Syrian population, mainly based in areas along the Mediterranean coast of Syria, with Latakia and Tartous as the region’s principal cities. It is believed that, instead of fleeing the country, the top Alawite figures in the current regime would most likely resort to the Alawite areas when the rebels’ control on Damascus becomes impending, to declare an alleged Alawite state there –since the sect will likely face threats by the Sunni majority in Syria and this regime is considered a protector for the Alawite minority. Another supporter of this scenario is a regime’s military arsenal based in the Alawite region –mainly in Tartous.

Over seventeen months, the pro-Assad’s forces have continuously fought against the opposition forces of the Free Syrian Army in the cities of Homs and Hama in order to impose its grip on that area and demarcate an abstract border to the Alawite region. A bloody crackdown –considered as ethnic cleansing –was launched by the regime’s army against the Sunni residents of these cities in order to force them to leave the area. The importance of Homs and Hama is that they will guarantee the potential ‘Alawite state’ border ports with Turkey and Lebanon, and the latter is deemed crucial since it will enable a direct contact between the potential ‘state’ and the Hezbollah group –Assad’s ally in Lebanon.

An Alawite state would be in favour of Iran, which is expected to back such a project on the same level as it does currently by supporting the Assad regime through supplying at least one shipment of weapons every week to continue the ongoing decisive war against the opposition. Apparently, Iran cannot accept the collapse of its ally in Syria, and an alternative solution, such as an ‘Alawite state’ in Syria, will absolutely be backed.

Moreover, the establishment of such a state will most likely be supported by Russia, Assad’s international ally, since it will preserve the Russian last military base in the Mediterranean –at the coast of Tartous.

On the other hand, Syria’s chemical arsenal stirs anxiety both regionally and internationally. Thee horrible scenarios can be pointed out in this regard. The first scenario involves the use of these chemical weapons by the Assad regime against the Syrian people –which was reported being already done in the suburb of Aleppo last month, and an international inspection committee is about to arrive in Syria in order to investigate. Another possibility is that Assad resorts to these weapons and use them against the neighbouring countries, especially after the repeated threats of the regime that its downfall will mean a collective disorder in the entire region. The third scenario regarding this chemical arsenal is to fall in the “wrong hands” or the hands of radical jihadist groups, such as al-Nusra Front in Syria, whose fighters are inexperienced in dealing with this kind of weapons; the fact that can lead to disastrous consequences.

With the growing violence and instability across the country, a majority of the Syrian Kurds demand federalism (political decentralization) as the best solution for post-Assad Syria. Undoubtedly, the hostility that the current war can leave among the different factions of the Syrian community may be one of the major challenges in future, and the Kurds don’t want to be a part of the potential chaos and security vacuum in the country. Therefore, the Kurdish demand of a federal entity in the northern and north-eastern part of Syria seems a unique solution for a nation that has suffered unforgettable persecution under Assad’s chauvinistic regime, and the Kurdish people are apparently not willing to face a new oppression era. However, such a demand is constantly refused by the Syrian Arab opposition, and the establishment of a Kurdish federal entity in Syria will be backed by no one, except by the Kurdistan Regional Government in Iraq.

Recently, remarkable worries are expressed by many regional and international powers regarding a potential rise of Islamists to claim power in post-Assad Syria. Since the start of this revolution, the regime tried hard to convince its supporters and the international community that this movement is led by a group of terrorists, and today we witness the growing power of the Islamist al-Nusra Front. Over 6 months, the uprising was mainly a peaceful movement, and the bloody crackdown of Assad’s forces was the only reason that forced people to bear arms and defend themselves, until the establishment of the opposition’s Free Syrian Army. The reluctant attitude of the international community towards the issue of arming the opposition was a main reason for the rise of al-Nusra Front –which constantly receives weapons and support from its Islamist allies across the Arab world; the fact which led many fighters of the FSA who lacked a source of weapon to join al-Nusra fighters –with a common enemy –and continue the war against the regime. Consequently, the number of al-Nusra fighters is in a constant growth, and the hesitation of international decision-makers contributes to this phenomenon.

Although the Islamist groups in Syria gained a remarkable propaganda by the Arab and international media, their popular ground seems quite limited, and the radical Islamist ideology is considerably opposed and condemned by the majority of the Syrian community. Thus, no real horizons are looming for groups like al-Nusra Front in Syria’s future, and they will most likely be defeated after the downfall of Assad’s regime, especially after the clashes between their fighters and the residents in few freed Syrian areas, like in Raqqa city last month, when al-Nusra tried to impose its grip on the city and it was faced by a broad popular outrage forced them to withdraw.

The alleged ‘political solution’ for the current crisis seems unrealistic at the moment. On the one hand, the opposition demanded to resort to the dialogue since the early days of the ‘uprising’, but faced by a brutal crackdown from the regime. On the other hand, the regime is now trying to convince the opposition that it is willing to find a political compromise, but the latter is not willing to give up the large areas he controls by now, considering the regime’s days are numbered.

In nutshell, the crisis in Syria created a remarkable sense of suspense to many observes regarding how it may end up and its possible consequences for the long-term future of Syria and the region. Some potential scenarios seem plausible, others are hard to imagine. The absolute fact is that the longer this crisis takes the more complicated and ambiguous the scenery becomes.

 

Samantha da Silva: Het Desertec Industrial Initiative (DII), een samenwerking van grote Europese bedrijven die een project voor hernieuwbare energie in de Afrikaanse Maghreb willen opzetten om Europa van energie te voorzien, loopt vertraging op omdat Spanje weigert mee te werken.

Met een combinatie van thermische zonne-energie, fotovoltaïsche energie en windenergie in de Maghreb moet tegen 2050 zo'n 100 gigawatt opgewekt kunnen worden. Het project vroeg een aanvankelijke investering van 400 miljard euro. In een studie die afgelopen zomer verscheen, voorspelt Desertec dat een geïntegreerd energiesysteem voor Europa, het Midden-Oosten en Noord-Afrika, Europa de mogelijkheid geeft de CO2-uitstoot in de energiesector met 95 procent terug te dringen. Twintig procent van de energie zou uit de Maghreb kunnen komen en daarmee wordt 33 miljard euro per jaar bespaard.

Het Midden-Oosten en Noord-Afrika hebben ook baat bij de zonne-energie. Zij kunnen met hernieuwbare energie in de komende jaren een reductie van 50 procent van de CO2-uitstoot bereiken, ondanks een sterke groei van de vraag naar energie. De regio profiteert dan bovendien van een exportindustrie die jaarlijks 63 miljard euro opbrengt.

Drie jaar na de aankondiging van het project, is de euforie echter verdwenen en klinken er beschuldigingen van incompetentie en slecht bestuur. Volgens DII is het potentieel aan hernieuwbare energie in Europa, het Midden-Oosten en Noord-Afrika, veel groter dan de huidige vraag. Op grond van cijfers van Duitse onderzoeksinstituten en de Club van Rome, schat DII in het rapport dat op elke vierkante kilometer woestijngrond, jaarlijks een hoeveelheid zonne-energie opgewekt kan worden die overeenkomt met 1,5 miljoen vaten ruwe olie. Marokko, gastland van het proefproject, ziet dit het liefst zo snel mogelijk van start gaan. De onderneming is van groot belang voor de plaatselijke economie, vooral omdat er veel banen worden gecreëerd in de energiesector. In 2009 werden 'groene netwerken' opgezet in verschillende steden. Kleine bedrijven, meestal gerund door jonge professionals, moesten de infrastructuur voor het project ontwikkelen. Op 7 november ontstonden echter de eerste grote problemen voor Desertec, tijdens de officiële presentatie in Berlijn van de eerste hernieuwbare energiecentrale in de Marokkaanse provincie Ouarzazate. Die energiecentrale moet in 2014 operationeel zijn. Hoewel de bouwplannen technisch gezien rond zijn, wachten ze op Spaanse goedkeuring. Spanje is de primaire partner in het project, die moet toestaan dat de opgewekte energie naar Europa wordt getransporteerd.

De Spaanse regering, die te kampen heeft met ernstige gevolgen van de wereldwijde economische crisis, heeft tot nu toe nog geen toestemming gegeven voor de centrale in Ouarzazate. En dat zal waarschijnlijk zo blijven, zo lang Spanje een netto-exporteur van elektriciteit naar Marokko is. Door een succesvol project in Ouarzazate, raakt Spanje een markt kwijt, zeggen experts.

Tot de DII-alliantie behoren ook de Deutsche Bank en het Spaanse netwerkbeheerder TSO Red Eléctrica. Volgens TSO Red Eléctrica en de Europese Commissie is het project uitvoerbaar. Er zijn investeerders gevonden, er zijn startsubsidies beschikbaar en de industrie wil meedoen. Maar Spanje weigerde tot nu toe het project in Marokko goed te keuren. 

De Spaanse weigering is slechts één voorbeeld van de enorme politiek, technische en financiële hindernissen die het project moet overwinnen. Eind oktober trok de Duitse elektronicagigant Siemens, een van de initiatiefnemers van DII in 2009, zich terug uit de alliantie. Die stap werd toen al alom gezien als een teken dat Desertec aan het mislukken is.

Pagina 2 van 15

contact

Reacties en inzendingen
ex Ponto is een uitgave van On File, Associatie van vluchtelingjournalisten en schrijvers
ex Ponto is mede mogelijk gemaakt door:
Logo_Ministerie_OCW Logo_Democratie_en_Media Logo_StimuleringsFonds_voordePers
 

Colofon

ex Ponto

is een journalistiek magazine dat op internet verschijnt. Het merendeel van de artikelen wordt door vluchteling-journalisten en andere migranten geschreven. Met Nederlandse journalisten als gast.

 


ovidiusex Ponto

In 8 na Chr. verbant de Romeinse keizer Augustus de dichter Ovidius naar het verre Tomi (het huidige Constança in Roemenië) aan de Zwarte Zee, in de provincie Pontus. Ovidius schrijft daar zijn bekende Epistulae ex Ponto (Brieven uit de Zwarte Zee). Deze bundel bevat poëtische verzoekschriften die hij naar vrienden en invloedrijke Romeinen schreef om voor hem bij de keizer te bemiddelen om in zijn lotsbestemming te herzien. Ex Ponto is in de geschiedenis door verschillende schrijvers gebruikt als metafoor voor ballingschap.