Wie heeft schuld?
Peter Blasic: Het aantal asielzoekers uit landen van de westelijke Balkan in de EU is in 2011 toegenomen. Weliswaar gaat het hier niet om grote aantallen, maar er is sprake van een significante stijging. Die ontwikkeling heeft er zelfs toe geleid dat de EU de landen van de Balkan met klem heeft gevraagd om maatregelen te treffen. Doen zij dit niet, dan zou de EU terug kunnen komen op haar besluit om burgers van Balkanlanden visumvrij te laten reizen binnen de Schengen-zone.
Tussen december 2009 en december 2010 besloot de EU de Schengen-visumplicht voor Albanië, Bosnië, Macedonië, Servië en Montenegro op te heffen. Dit was het resultaat van een streng en uitgebreid proces waarin de vijf landen vergaande hervormingen doorvoerden op het gebied van paspoortbeveiliging, grenscontrole, de strijd tegen illegale migratie, georganiseerde misdaad en corruptie en de rechten van de mens. De getroffen maatregelen hadden tot gevolg dat de veiligheid werd vergroot, zowel binnen de Balkanlanden als langs de buitengrens van de Europese Unie. Dit proces was een mooi voorbeeld van hoe de EU haar invloed op een rechtvaardige manier kan aanwenden om landen in hun democratisering- en liberaliseringsproces te stimuleren.
Na het opheffen van de visumplicht reisden duizenden Serviërs en Macedoniërs naar de EU en vroegen daar asiel aan; met bijna 18.000 aanvragen werd Servië het land waarvan de burgers de meeste asielaanvragen indienden binnen de EU in 2010, waardoor het asielstelsel van verscheiden EU-lidstaten onder druk kwam te staan.
Bij deze kwestie is een aantal zaken van belang. Om te beginnen zijn de asielzoekers vrijwel uitsluitend Roma. Van hun aanvragen werd het overgrote merendeel geweigerd; slechts circa 2 procent van de aanvragen uit Servië en Macedonië werd gehonoreerd, veelal op humanitaire gronden en meestal omdat noodzakelijke medische behandelingen niet uitgevoerd konden worden in hun eigen land. Hoewel de situatie van de Roma op de Balkan door armoede en discriminatie zeker reden tot bezorgdheid is (overigens ook in EU-lidstaten als Slowakije, Hongarije of Roemenië), is hun situatie blijkbaar niet voldoende ernstig om een asielaanvraag te honoreren.
Belangrijk is ook te weten dat 85 procent van de asielaanvragen werd ingediend in slechts drie EU-landen, te weten Duitsland, Zweden en België. Dit is begrijpelijk: die landen hebben geavanceerde asielstelsels, zijn relatief rijk en hebben reeds grote groepen migranten uit de Balkan. In Oostenrijk, Frankrijk en Nederland, landen die precies dezelfde eigenschappen hebben, is echter geen significante toename van het aantal asielaanvragen te zien. Ook daar is een verklaring voor: in de eerste drie landen duurt de procedure twee tot vijf maanden; in Oostenrijk, Frankrijk of Nederland duurt die slechts twee weken of minder.
Terwijl de asielzoekers wachten op de beslissing van de bevoegde instanties, krijgen ze huisvesting, voeding, kleding, medische zorg en gratis onderwijs voor hun kinderen. Voor sommige Roma is dit een aantrekkelijk vooruitzicht, zelfs als hun aanvraag uiteindelijk wordt afgewezen. Bovendien kunnen asielzoekers het verblijf verlengen door middel van beroepsprocedures. Aanvankelijk was er nog een reden om een asielaanvraag te doen in Duitsland of België: tot oktober 2010 boden de beide landen ook hulp aan afgewezen asielzoekers uit de Balkan die vrijwillig naar het vaderland vertrokken. Dit betekende voor hun een betaalde terugreis en een startkapitaal bij thuiskomst van tussen 750 euro (België) tot 1800 euro (Duitsland).
Van meet af aan heeft de EU de schuld voor dit oneigenlijk gebruik van het asielsysteem gelegd bij Servië en Macedonië en die landen werd gevraagd hun burgers te laten weten dat een asielaanvraag weinig kans van slagen heeft. Maar hoewel er nu een uitgebreide informatiecampagne loopt, is het niet verrassend dat deze campagne weinig effect resulteert. De werkelijke motivatie is niet om daadwerkelijk asiel te verkrijgen, maar om gebruik te maken van de rechten welke men gedurende de procedure geniet. Dus zullen sommigen een aanvraag blijven indienen.
De EU heeft ook met regelmaat de beschuldigende vinger gewezen in de richting van de georganiseerde misdaad: Servische en Macedonische bendes zouden onwetende burgers verkeerd voorlichten over het asielbeleid en hen op die manier verleiden om zich via "georganiseerde netwerken" van busbedrijven en reisbureaus (die in handen van de criminelen zijn) naar de EU te laten brengen. Echter, er is geen sprake van lucratieve winsten die te behalen zijn via busbedrijven of "georganiseerde netwerken". Buskaartjes naar Brussel of Berlijn zijn goedkoop en informatie over de betreffende asielsystemen is voldoende beschikbaar via de diaspora. Bewijzen van dergelijke criminele onderneming zijn dan ook –ondanks onderzoek in die richting - niet gevonden.
Niettemin werden Servië en Macedonië verzocht stringente grenscontroles in te stellen; niet om de georganiseerde misdaad een halt toe te roepen, maar om te voorkomen dat asielzoekers onterecht de Europese Unie in zouden komen. Omdat de meeste van deze asielzoekers Roma zijn, resulteren de grenscontroles echter in etnische profilering en openlijke discriminatie. Voor dit probleem heeft de EU evenwel een bureaucratische vermomming gevonden; zij heeft Servië en Macedonië verzocht om haar bij te staan bij de naleving van het Verdrag van Schengen. Volgens dit verdrag is de grenspolitie verplicht om personen zonder "documenten die hun voorgenomen verblijf rechtvaardigen" of die niet kunnen aantonen te beschikken over "voldoende bestaansmiddelen" de toegang tot de Schengen-zone te ontzeggen. Let wel, dit is een plicht bij binnenkomst in de Schengen-zone, niet bij het verlaten van niet-Schengen landen. Het is dan ook vreemd om Servië en Macedonië deze controles uit te laten voeren, terwijl dit eigenlijk een taak is van de EU.
De EU speelt hier een eigenaardig spel. Ze legt de verantwoordelijkheid voor haar eigen problemen vooral bij anderen. Toch moet de EU de oorzaak vooral bij zichzelf zoeken. Allereerst is er de lengte van de asielprocedures. Als de procedures lang duren, dan zijn de voordelen van een verblijf op grond van een asielaanvraag erg aantrekkelijk en dus zal visumvrij reizen per definitie asielaanvragen genereren, afkomstig van kansarmen die in hun herkomstland in een uitzichtloze positie verkeren. Wil de EU dit niet, dan moet zij haar procedures verkorten, of EU-lidstaten moeten deze aanvragen prioriteit geven en ze versneld in behandeling nemen. Sinds vorig jaar doen Zweden, Duitsland en België dit voor aanvragen uit de Balkan. De laatste twee landen hebben ook het terugkeerbudget voor afgewezen asielaanvragen drastisch teruggebracht. Sinds juni van dit jaar is het aantal asielaanvragen uit Servië en Macedonië in alle drie de lidstaten sterk gedaald.
Deze aanpak zou het probleem van de EU oplossen. Het doet echter geen recht aan de vaak miserabele omstandigheden waarin veel van de asielaanvragers verkeren. Veel beter zou het zijn om aandacht besteden – en te blijven besteden ‒ voor de situatie van de Roma. Discriminatie van Roma komt met name in Oost-Europa nog veel voor. De nieuwe lidstaten en kandidaat-leden van de EU lijken zich in te spannen om de situatie te veranderen, maar dit blijkt niet voldoende: in verschillende landen blijft de bevolking een racistische houding aannemen ten opzichte van de Roma. Het is dan ook goed dat verschillende Oost-Europese landen zich hebben verenigd in het Decennium van de Roma, een initiatief dat gericht is op verbetering van de sociaal-economische status en integratie van die bevolkingsgroep. Het internationale project is het eerste in zijn soort om het leven van de Roma in Europa daadwerkelijk te verbeteren door de kloof wat betreft welvaart en levensomstandigheden tussen Roma en niet-Roma te verkleinen.
Een dergelijke aanpak beperkt een nieuwe instroom van asielaanvragers waarschijnlijk veel meer dan het terugdraaien van de versoepeling van het visumbeleid waar de EU nu mee dreigt. Het helpt ook om de liberalisering van het visumbeleid weer te laten doen wat ermee werd beoogd: buurlanden tot partners maken die helpen bij de bescherming van de EU tegen externe bedreigingen. Het wegnemen van visumrestricties verbetert daarnaast het imago van de EU, bevordert de economische ontwikkeling door meer handel en leidt tot meer contact tussen mensen. De Europese Unie moet dan ook haar visumbeleid verder liberaliseren – wellicht in combinatie met verkorte asielprocedures, maar in ieder geval met aandacht voor de leefomstandigheden van de Roma. Dat betekent dat de EU de Balkanlanden aan moet sporen om de spiraal van armoede en uitsluiting waarin veel Roma zich bevinden, te doorbreken.
Piek in asielaanvragen uit de westelijke Balkan
Reageer
Make sure you enter the (*) required information where indicated.
Basic HTML code is allowed.

ex Ponto