De laatste Prins van Kafiristan, Russische Spionage in Afghanistan
Op vrijdag 26 mei 2012 is de roman “De laatste Prins van Kafiristan, Russische Spionage in Afghanistan” van Dawud Pirzad verschenen. Het is een verhaal gebaseerd op historische feiten. Met de roman laat Pirzad zien dat een groot deel van de verantwoordelijkheid voor de burgeroorlog in Afghanistan berust bij de grootmachten, te beginnen met de invasie door de Sovjet-Unie.
De gebeurtenissen in de internationale politiek laten zien dat Afghanistan nog steeds een actueel thema is en in de komende tijd ook zal blijven.
In deze spannende roman beschrijft Dawud Pirzad niet alleen de vele politieke intriges in Afghanistan en de afschuwelijke gevolgen voor het jongetje Umied, maar ook zijn zoektocht naar de waarheid over zijn moeder. Het verhaal speelt zich eerst in Afghanistan af en later in Moskou, waar Umied als student de val van het communisme meemaakt met alle vormen van corruptie en geweld. Jaren later keert Umied terug naar Kabul, ontmoet zijn stervende oudoom, die hem onthullingen doet over zijn moeder en hem vraagt zijn stoffelijk overschot naar Nuristan, het vroegere Kafiristan, te brengen. Zal Umied zijn uiteindelijke bestemming vinden?
Dawud Pirzad (1973) werd geboren in Kabul, Afghanistan, studeerde geschiedenis en woont sinds 2000 in Nederland.
“Met mijn roman De laatste Prins van Kafiristan wil ik laten zien wat de internationale politiek gedurende tientallen jaren in Afghanistan heeft aangericht. Het gevolg ervan is de totale ontwrichting van de Afghaanse samenleving, die ik zelf heb meegemaakt. Mijn roman zoomt in op de verstoorde levensloop van het Afghaanse jongetje Umied. Zoals altijd en overal zijn kinderen de onschuldige slachtoffers van politiek geweld en oorlog."
Een stukje uit het boek:
Op een van de heetste dagen van die zomer, toen ik zoals gewoonlijk vers brood ging kopen voor mijn lunch, was ik via de Kuchae Murgastraat op weg naar het Shahr Nawpark, met de bedoeling om eerst voor mijzelf een ijsje te kopen en daarna brood. Niet ver van het ijswinkeltje zag ik een Sovjetlegervoertuig staan omringd door een menigte Afghaanse kinderen van mijn leeftijd, die grote blikken bij zich hadden. De soldaten waren druk in gesprek met de kinderen, vermoedelijk om ze benzine te verkopen. De kinderen verkochten deze benzine dan weer door om daarmee eten te kunnen kopen voor hun familie. Het was een bekend beeld dat Sovjetsoldaten benzine of andere zaken doorverkochten. Ook in onze winkel boden ze vaak goederen aan in ruil voor onze producten. Om het te kunnen verkopen stalen ze van alles van hun leger, van munitie en dekens tot aan rundvlees toe. Nadat ik een aardbeienijsje gekocht had, slenterde ik al likkend in de richting van de bakkerij. Daarna, met het brood onder de arm, besloot ik via het park terug te gaan om enigszins beschut te zijn tegen de onbarmhartig brandende zon. Halverwege het park kwam ik een jongetje tegen van een jaar of tien, vies en zonder schoenen, die met klagelijke stem om een stuk brood vroeg. Toen ik hem het brood gegeven had, vroeg ik hem hoe hij heette en waar hij woonde. Hij barstte in tranen uit en vertelde dat zijn dorp plat gebombardeerd was en dat zijn hele familie was omgekomen. Hij had er twee dagen over gedaan om te voet naar Kabul te komen en daarom waren zijn schoenen aan flarden. Hij greep het brood met twee handen vast en at er gretig van. De afgelopen twee dagen had hij in het park doorgebracht en hij wist niet hoe het verder moest. Ik gaf hem mijn zakgeld en mijn schoenen.

ex Ponto